grafiek, tijdschrift

Hagelslag

WIE: Meerdere auteurs
WAT: Hagelslag; Jaargang 1 (1971); Nummers 1 – 4
WAAR: Aangekocht bij Antiquariaat W. De Goeij
WANNEER: Aangekocht op 1 februari 2019
KAFT: papieren kaft; geniet
UITGEVER: Hagelslag
JAAR: 1971
BLZ.: 44 + 44 + 36 + 44

HAGELSLAG
ha.gel.slag (de, m.)
1 het neerslaan, met kracht vallen van de hagel
2 (meton.) schade door hagel toegebracht
3 strooisel van chocolade of anijssuiker als broodbeleg
4 twee- of driemaandelijks literair tijdschrift opgericht in 1971

Verspreid over 5 jaargangen verschenen tussen januari 1971 en april 1977 in totaal 20 nummers van Hagelslag: 6 in de eerste jaargang, 3 in de tweede, telkens 4 in de derde en vierde jaargang en voor de vijfde en laatste jaargang nog 3. Tijdens de eerste twee jaargangen heet Hagelslag, naar eigen zeggen, nog een “tweemaandelijks tijdschrift” hoewel dat alleen in de eerste jaargang wordt waargemaakt. Vanaf de derde jaargang wordt het een “driemaandelijks tijdschrift”; die belofte wordt twee jaargangen volgehouden. Van de vijfde jaargang verschijnen, verspreid over 1976 en 1977, nog maar 3 nummers; het laatste nummer is een “dubbelnummer” (jaargang 5, nr. 3 – 4), maar telt nog slechts 26 pagina’s.

DE REDACTIE
“Het is namelijk zo dat ‘Hagelslag’ zijn reden van ontstaan vindt in de kennelijke behoefte aan een open publikatieruimte voor kreatieve en kritische mensen. Menigvuldig immers zijn de tijdschriften met een wat men noemt gevestigde waarde, waarvan naar onze mening de gezapigheid en engheid nog al te vaak opvallende kenmerken zijn. Het enige beginsel dat aan dit tijdschrift ten grondslag ligt, bestaat hierin, dat het aan iedereen een publikatiemogelijkheid wil geven […]
Wij beschouwen deze ‘ter inleiding’ dan ook geenszins als een plechtige redaktionele verklaring, niet als een manifest of een eeuwig vaststaande en onveranderlijke tekst. Deze tekst is niet meer dan een eksplicitering van de aanleiding tot het ontstaan van ‘Hagelslag’.” aldus “De redaktie” in Hagelslag, Jaargang 1, nummer 1 (januari/februari 1971)

Die redactie is de reden waarom ik, ondanks de wat hoge vraagprijs, toch besloot om de eerste 4 nummers van dit tijdschrift in huis te halen. Die bestond in 1971 uit 6 personen waarvan er 2 mij niet onbekend waren en zijn: Jan Uyttendaele was mijn docent Nederlands toen ik, in een duister verleden, de waanidee koesterde dat ik leraar wilde worden – en de heer die in op deze blog wel eens ter sprake komt als “de Kapitein van ’t Zinkende Schip”.

GEEN POËZIE
Ik had gehoopt van beide heren (ook) poëzie aan te treffen, maar helaas: zij dragen slechts beschouwende teksten bij (in deze nummers). Jan Uyttendaele schreef het essay “De bedoeling van de dichter” waarin hij reageert op de inleiding van het eerste nummer van het Nederlandse literatuurtijdschrift Merlyn (verscheen in 4 jaargangen tussen 1962 en 1966; werd uitgegeven door uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep) dat de ‘close reading’ in de Nederlandse literatuur/poëziekritiek introduceerde. Merlyn was (uitsluitend) geïnteresseerd in “wat de schrijver zegt, niet wat hij zou kunnen zeggen, of had moeten zeggen, of eigenlijk bedoeld heeft, maar niet zegt” (aldus die inleiding); enkel de tekst zelf en de structuur ervan waren voor hen van tel, buitenliteraire factoren werden buiten beschouwing gelaten. Het essay gaat “dus om de vraag of de lezer bij de schrijver te rade mag gaan om deze naar zijn bedoelingen te vragen.”

Zelf ben ik altijd erg benieuwd naar welke in- en aankleding mijn toehoorders/lezers mijn teksten geven, maar ik ben het met Mulisch eens wanneer die stelt: “vraag de schrijver niet wat hij met zijn werk ‘bedoelt’; het is de lezer, die antwoordt…Wie smaalt op de kritici die meer uit een werk halen dan de schrijver ‘er in gelegd’ heeft, begrijpt niets. Een werk waaruit niet méér komt dan de schrijver ‘er in gelegd’ heeft, is onder de maat en moet volgens de visserijwet in het water teruggeworpen worden.”

Wel vond ik, in nummer 4 (juli/augustus 1971), het tweeledige gedicht “A lady sings the blues” van Leopold M. Van den Brande – die ik ergens in 2017 ontdekt moet hebben en sindsdien ook verzamel.

A LADY SINGS THE BLUES

I

het kind bekijkt de paarse schaamplippen
in de glazen knikker en hoe nabij de dag
tussen spinrag en aarde onder een
vlijmscherpe maan een vrouw ligt
in het luik aan de horizon.
de hoorns van een mannelijk rund
in de onderbuik gedreven

in de plassende regen behoedt zij
het schrijn en gaat van galg tot galg
met maandelijks een korf bloed
waarin haar hoofd luistert
onder het asfalt in haar dijen

zie het godvergeten kruisbeeld
waarop zij danst in water en vuur
hoe aan haar polsen plotseling
twee kinderhanden gaan groeien

een spijkerschrift ontleentd
aan haar handen verhaalt hoe aan haar
woekerende wervels een stalen ruggegraat
horizontaal werd ingeplant.
toen luidde onderaards de klokken
luider dan haar borsten

II

dronken sterft in haar nachtelijk geraamte
de albino een woord van woede in de hals gebeten
het aangezicht een lijkwade van dauw
over dit landschap waarin haar handen
een door huiver versteend kruipdier
in de vouwen van haar vingers

haar arm de zonnewijzer die wijst en wijkt
mijn wijdste schaduw in mijn huiverende dood.
de schepping de witte kreet in het holle strottenhoofd
van de zon waarna in wit water een vader
waar haar benen scheiden een zoon
in haar weet weelderig wenen

waar haar borsten splijten
splijten de baren het openwelkend water
de weeë geur van pijn schiet in de schorre schildklier
van overvloed draagt een vrouw van huid tot huid
haar kleed als een spaan in lichte laaie
als een slag in het slangennest van goed en kwaad

waar haar borsten breken draag ik
in haar lichaam mijn lichaam
verder in de dood

Dit gedicht staat ook in de bundel Moulin-Rouge die (ook) in 1971 uitgegeven werd bij Uitgeverij Orion – N.V. Desclée De Brouwer.

De versie in Moulin-Rouge wijkt op een aantal punten af van die hierboven.

Versregels 3 – 5 van deel I van het gedicht luiden in de bundel zo:


tussen spinrag en aarde een vrouw ligt
onder een vlijmscherpe maan in het
luik aan de horizon.

Versregel 17 van deel I van het gedicht luidt in de bundel:


een spijkerschrift ontleent

Ontleent. Met een T, dus. Hoewel het hier als voltooid deelwoord gebruikt wordt.
Het lijkt er op – de inkt van de gestencilde tekst is hier en daar stevig vervaagd – dat in de versie in Hagelslag deze spelfout eerst overgetypt werd en nadien met een pen gecorrigeerd werd (tot iets dat inderdaad een D zou kunnen zijn).

De spelfout in versregel 15 van deel II in de bundel – daar staat “de weeë guur” – werd in Hagelslag gecorrigeerd in het typoscript zelf (“de weeë geur”).

De voorpagina van ieder van de vier exemplaren had telkens dezelfde linogravure in een andere kleur afgedrukt.

Verder komt er in de 4 nummers maar 1 (andere) afbeelding voor. In Hagelslag nummer 2 (maart/april 1971) werd ook een lino afgedrukt van – als ik de handtekening goed ontcijfer – j.m. decorte bij een gedicht van zichzelf.

TOENE VOGELS

toen jij nog vogels plooide in het zand
niet vliegen konden
maar daarom in de wind uit je mond
verstuifden
huifkarren
nu rond over het land lopen
open met toene vogels er in

De nummering bij de lino vertelt ons meteen ook meer over de oplage van de eerste jaargang van Hagelslag: 150 exemplaren

Standaard
poëzie, poëzie buiten het boek

Monique Hendriks’ Viewmasterpoëzie

WIE: Monique Hendriks & Lilia Scheerder
WAT: Retrospectieven
WAAR: gekocht bij de auteur
WANNEER: 14 januari 2021
JAAR: 2021

MONIQUE & LILIA
Alles wat u moet weten over Monique leest u hier.
Alles wat u moet weten over Lilia leest u dan weer daar.

RETROSPECTIEVEN…
…is een gedichtenbundel in de vorm van een Viewmaster(schijfje) met teksten van Monique en beeld van Lilia.

Standaard
poëzie, typocscript

Schatten uit het Zinkende Schip: typoscript met vijf gedichten van Ben R. Klein

WIE: Ben R. Klein
WAT: Drie pagina’s typoscript met vijf gedichten van Ben R. Klein
WAAR: Het Zinkende Schip
WANNEER:
7 december 2021
JAAR: na 2001

BEN KLEIN
Ben R. Klein passeerde eerder de revue op mijn blog.

TYPOSCRIPT
In de schatkist van het Zinkende Schip vond ik een typoscript (drie pagina’s, vijf korte gedichten) terug. Het leed helaas wat waterschade, maar dat kon de pret nauwelijks drukken.

DATERING
Het typoscript en/of de gedichten zijn niet gedateerd, maar de gedichten werden geschreven na 2001 – dat is het jaar waarin het naaktstrand van Bredene (cfr. derde gedicht op de tweede pagina) geopend werd.
De stijl van deze gedichten is heel verwant met die van de gedichten uit “kleingiroklein” (2006) en “Zenith” (2008).

Standaard
bibliofiel, poëzie

Alice Nahon & Gust Peeters

WIE: Alice Nahon & Gust Peeters
WAT: Aan een zwerver III & Lotsbestemming
WAAR: schenking van (een van) de auteur(s)
WANNEER: 28 december 2021
KAFT: geen kaft; vouwblad
UITGEVER: Gust Peeters / De Carbolineum Pers
JAAR: 2021

NAHON-HERDENKING
Eerder dit jaar, op 15 augustus, werd op het Antwerpse Schoonselhof een Alice Nahon-herdenking (n.a.v. haar 125e geboortedag) gehouden.
Insteek van de herdenking: een aantal dichters schreven, geïnspireerd door/in reactie op een gedicht van Nahon, een nieuw gedicht; die gedichten werden, na een bijeenkomst rond het graf van de dichteres, voorgelezen.
Aanstichter van deze herdenking was Gust Peeters.

PP50
Diezelfde Gust Peeters was vanavond, samen met Gert Vanlerberghe, bij mij thuis te gast – we smeedden plannen om in oktober 2022 te herdenken dat 50 jaar geleden de ‘pink poets‘ boven de doopvont werden gehouden.

LOTSBESTEMMING
Gust liet onlangs zijn Nahon-gedicht (en het gedicht van Nahon waarin hij inspiratie vond) uit lood zetten bij De Carbolineum Pers; exemplaar 6 werd mij eerder op de avond amicaliter cadeau gedaan voor de collectie bibliofiele poëzie.

Standaard
brieven / correspondenties, correspondentie, efemeer

schatten uit het zinkende schip: huwelijksaankondiging van dichter Erik Lindner

WIE: Erik Lindner & Sandrine Dumont
WAT: huwelijksaankondiging met handgeschreven boodschap
WAAR: Het Zinkende Schip
WANNEER: 7 december 2021

HET ZINKENDE SCHIP
Voor tekst en uitleg over het zinkende schip: even doorklikken naar deze blogpost.

LINDNER – DUMONT
Op 19 mei 1998 waren dichter Erik Lindner en Sandrine Dumont gehuwd. Enkele dagen later verzonden ze onderstaande huwelijksaankondiging / kaart naar de Kapitein van het Zinkende Schip.

PARIJS – AMSTERDAM
Het kersverse stel woonde (voornamelijk) in Parijs en Amsterdam.

11bis Rue Saint-Gilles, Paris
Timorplein 1, Amsterdam
Standaard
bibliofiel, boek, grafiek, kunstenaarsboek, poëzie

schatten uit het zinkende schip: La Mémoire Scandaleuse

WIE: Marie-Claire Gouat
WAT: La Mémoire Scandaleuse
WAAR: Het Zinkende Schip
WANNEER: 7 december 2021
KAFT: harde kaft
UITGEVER: De Groote Beer; Antwerpen
JAAR: 1998

HET ZINKENDE SCHIP
Voor tekst en uitleg over het zinkende schip: even doorklikken naar deze blogpost.

Marie-Claire Gouat (oktober 2015)

MARIE-CLAIRE GOUAT
Marie-Claire Gouat is beeldend kunstenaar, auteur en comédienne. Ze werd in 1935 op ’t Afrikaanse continent geboren. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog vestigde ze zich met haar moeder in ’t zuiden van Frankrijk, haar vader stierf op ‘le train de la mort’ – die op 2 juli 1944 vanuit Frankrijk 2152 mannen naar de kampen in Dachau vervoerde; 536 onder hen zouden tijdens deze rit in beestenwagons overlijden.
Vanaf de jaren ’40 tot in 1986 woonde ze in Brussel waar ze aan de Academie studeerde, trouwde met graficus, drukker en schrijver Robert Kayser, les gaf en aan haar oeuvre werkte. Tegenwoordig woont ze in Jemeppe-sur-Sambre.

LA MEMOIRE SCANDALEUSE
‘La Mémoire Scandaleuse’ is een mooi uitgewerkt kunstenaarsboek met teksten en tekeningen van Gouat die door Nicole Verheyden als zeefdruk afgedrukt werden op 250g/m² Zerkall.
Het boek telt 40 (ongenummerde) bladzijden, is 26 x 37 cm groot en verscheen op 45 exemplaren. Een exemplaar wordt bewaard in de “Réserve Précieuse” van de Koninklijke Bibliotheek, 1 exemplaar was bestemd voor de zeefdrukster, 3 exemplaren – genummerd als I, II & III en inclusief een originele ets en een originele, ingekleurde tekening van de auteur – waren bestemd voor privécollecties. De andere exemplaren zijn van 1/40 tot 40/40 genummerd en gesigneerd in het colofon.

5/40
Het exemplaar dat de Kapitein van het Zinkende Schip aan de Bibliotheca Studentica & Erotica schonk is genummerd 5/40 maar/en bevat – net als de exemplaren I, II en III – een ets en met gouache opgehoogde pentekening.

GENIET U MEE?

Standaard
fotografie

schatten uit het zinkende schip: 4 (auteursportret)foto’s

WIE: Eric Rosseel, Jan Kostwinder en Peter Holvoet-Hanssen
WAT: 4 originele (auteursportret)foto’s
WAAR: Het Zinkende Schip
WANNEER: 7 december 2021

In het pakket met schatten uit het zinkende schip ook deze 4 foto’s:

schrijver-dichter Eric Rosseel
dichter Peter Holvoet-Hanssen zoals in 1995 gezien door de lens van Maarten Goossens
dichter-romanschrijver Jan Kostwinder zoals op 29 oktober 1994 gezien door de lens van Roeland Fossen
Jan Kostwinder en zijn vrouw Marissa Groen en zoon Thomas (rechterzijde van de foto)

Standaard
bibliofiel, boek, brieven / correspondenties, correspondentie, erotica, fotografie, grafiek, kunstenaarsboek, manuscript, non-fictie, poëzie, typocscript

schatten uit het zinkende schip: proloog

WIE: Ben R. Klein, Pjeroo Roobjee, Eric Rosseels Jan Kostwinder, Bart Brey, Werner Spillemaeckers, Erik Lindner, Bert Bevers, Peter Holvoet-Hanssen en Marie-Claire Gouat
WAT: brieven, gedichten, foto’s, bibliofiele uitgaven
WAAR: Het Zinkende Schip
WANNEER: 7 december 2021

Niet de Sint, maar de postbode bracht gisteren dit pakket.

De afzender is een man die ik al jaren – dat gebeurde voor het eerst op mijn oude boekenblog – als de ‘Kapitein van het Zinkende Schip’ benoem. Zijn echte naam is mij weliswaar niet onbekend, maar omdat de Kapitein – na talloze kleurige en bewogen omzwervingen over de zeven wereldzeeën – ondertussen al lang een teruggetrokken en quasi anoniem bestaan leidt te Lourdes op den berg, houd ik het bij die bijnaam.

De Kapitein en ik, wij kennen elkaar niet persoonlijk en hebben elkaar (nog) nooit in levenden lijven ontmoet. Wel delen we een aantal gemeenschappelijke interesses (poëzie, bepaalde dichters, bibliofiele uitgaafjes verzamelen/uitgeven,…) en houden we er sinds een jaar of vijftien circa om de drie jaar een korte elektronische correspondentie op na die meestal opgestart wordt naar aanleiding van een boekenblogpost en/of omdat de Kapitein zich dan bedenkt dat hij ergens in zijn bibliotheek (of wat er nog van rest nadat hij het burgerlijke leven inruilde voor een waarlijk vrijbuitersbestaan) of archief nog een en ander heeft liggen om een nieuw leven in mijn bibliotheek te schenken. Ook het pakket dat gisteren arriveerde was een schenking die ik met oneindig veel dankbaarheid en minstens evenveel plezier aanvaardde.

In het pakket bevonden zich brieven van/aan de dichters Ben R. Klein, Jan Kostwinder, Pjeroo Roobjee, Bert Bevers, Erik Lindner en Bart Brey.
Daarnaast ook originele (auteursportret)foto’s van Eric Rosseel, Jan Kostwinder (en vrouw en zoon) en een jonge Peter Holvoet-Hanssen.
Verder ook een bibliofiele uitgave op 40 exemplaren van een gedicht van Bart Brey, een bibliofiele uitgave met gedichten van Werner Spillemaeckers pp en prachtig kunstenaarsboek (op 40 exemplaren; inclusief originele ets en aquarel) van de Belgische kunstenares Marie-Claire Gouat.
En tot slot enkele gedichten van Ben R. Klein in typoscript en het pronkstuk: het manuscript van een nooit uitgegeven gedichtenbundel van Jan Kostwinder met als titel “Speelman”.

In de loop van de komende dagen/weken/maanden kom ik op deze blog op al die mooie aanwinsten terug.
Voor nu rest mij nogmaals en slechts: merci, Kapitein!

Standaard
bibliofiel, boek

Uitgeven in Barakstad. Herinneringen aan J.M.H.

WIE: Rudy Vanschoonbeek
WAT: Uitgeven in Barakstad
WAAR: De Carbolineum Pers, Kalmthout
WANNEER: 17 november 2021
KAFT: harde kaft met stofwikkel
UITGEVER: De Carbolineum Pers, Kalmthout
JAAR: 2021

CARBOLINEUM & BERCKMANS
Er verschenen eerder dit jaar en vorig jaar een paar – steeds mooie, soms ook interessante – aan J.M.H. Berckmans gerelateerde bibliofiele uitgaven bij de Carbolineum Pers.
Eerder in 2021 verscheen, op 50 exemplaren met stofomslag en in foedraal, “Goede Zachaar. Drie brieven aan Léon Lemahieu” (drie niet eerder gepubliceerde brieven van Berckmans aan zijn vriend Léon – die in zijn verhalen o.a. opduikt als Leon Leonski of Zachaar – van het antiquariaat in de Wolstraat n°2 in Antwerpen; het adres waar in lang vervlogen tijden ooit ook antiquariaat Demian gevestigd was).
In 2020 verschenen twee Berckmansuitgaven. “Een stem uit het koor” is een lang, eerder ongebundeld en quasi onbekend prozagedicht dat Berckmans in 1992 schreef. De uitgave, gebonden en in foedraal, bevat ook vier houtsneden van Nicholas Meersschaert en een nawoord van Berckmansbiograaf Chris Ceustermans. “Er is geen enkele hoop op beterschap” (de neerslag van een interview dat Arnon Grunberg op 14 juni 1993 van Berckmans afnam voor het VPRO-radioprogramma van Wim Brands) ontbreekt helaas in mijn JMH-collectie omdat het prospectus op mijn oude adres/bij mijn ex-echtgenote toekwam en niemand van mijn mede-Berckmans-afficionado’s het blijkbaar nodig vond mij iets te laten weten. Driewerf helaas!

UITGEVERSHERINNERINGEN
Recent verscheen, op 50 exemplaren, “Uitgeven in Barakstad. Herinneringen aan J.M.H.” van de hand Rudy Vanschoonbeek – mijn uitgever bij Vrijdag, die tussen 1989 en 1997 ook Berckmans’ uitgever was (bij Dedalus). De tekst van deze uitgave werd met de hand gezet uit de Horley Old Style en met de handpers gedrukt op gevergeerd Zerkall papier, met gekleurde sierletters en sluitstukken en drie ingekleefde illustraties. Het boekje telt 24 pagina’s, is 16 centimeter groot, is gebonden in rode kartonnen band (met Berckmans-portret), met als stofomslag een nooit gebruikt omslagontwerp (voor Berckmans’ boek “Vergeet niet wat de zevenslaper zei”) uit 1989 en opgeborgen in een roodbruin foedraal.

In “Uitgeven in Barakstad” worden vijf herinneringen opgetekend.
De eerste schetst hoe een journalist/recensent de uitgever in 1988 influistert en bezweert om de verhalen van Berckmans te lezen en uit te geven en hoe uitgever en auteur elkaar voor het eerst ontmoetten.
De tweede schetst het – voor zij die wel es met Rudy over Berckmans spraken – bekende, hilarische zomeravondverhaal uit 2008 waarop Berckmans zijn nieuwste manuscript bij de uitgever komt voorleggen en er laat op de avond op zoek gegaan moet worden naar een fotokopieerwinkel om het te vermenigvuldigen, maar vertelt ook – nieuwe info voor mij – waarom “Je kunt geen 20 zijn op suikerheuvel” uiteindelijk niet bij Vrijdag verscheen en dat het Rudy was die ijverde om Berckmans op het erepark van begraafplaats Schoonselhof te begraven.
De derde vertelt over de verschillende jobs die Berckmans had om te overleven (in combinatie met zijn weinig lucratieve schrijverschap) en over een aantal autoritten in zijn gezelschap.
In het vierde wordt geschets hoe J.M.H. kind aan huis was bij de uitgever, zijn echtgenote en kinderen en het vijfde onthult het bestaan van een bibliofiele uitgave op 10 exemplaren van “Café De Raaf nog steeds gesloten” die mij – en ook de zeer goed geïnformeerde en uitgebreide website Schrijversgewijs – totaal onbekend was. Dat ik niet zal rusten voor ik zo een exemplaar in mijn kast heb staan!

ZETDUIVEL
“Uitgeven in Barakstad” is een fijn kleinood voor de die hard Berckmans-adept; wel jammer van die ene opvallende (en storende) zetfout – ik laat u het plezier om er zelf naar op jacht te gaan. Eerst naar een exemplaar – alles uitverkocht reeds! – daarna naar de zetfout.

Standaard
bibliofiel, boek, grafiek, poëzie

Nulgedichten

WIE: Rudy De Rybel
WAT: Nulgedichten
WAAR: de Slegte, Leuven
WANNEER: 5 november 2021
KAFT: losse katernen gevat in een witte omslag met wikkel van kalkeerpapier
UITGEVER: Ziggurat; Antwerpen
JAAR: 1979

ZIGGURAT
Ziggurat was “een uitgeverijtje – in permanente geldnood – van ‘bibliofiele uitgaven en kunstobjecten in een internationale optiek’” in Antwerpen dat werd opgericht door Marie-Claire Nuyens (partner van Freddy De Vree), Hugo Claus, en Marc Verstockt en (voornamelijk) gerund werd door Freddy De Vree.
Tussen 1977 en 1986 gaf Ziggurat 23 titels uit van bekende namen als Willem Frederik Hermans, Hugo Claus, Christian Dotremont, Ivo Michiels, Gust Gils, Jeroen Brouwers, Freddy De Vree, Sybren Pollet,… maar ook van dichters wiens naam bij het einde van jaar 2021 wellicht geen belletjes doen rinkelen.
Rudy De Rybel is er daar een van.

RUDY DE RYBEL
Wat weet het internet ons te vertellen over deze obscure dichter?
Hij is misschien – boekenliefhebbers die het kunnen weten, vertellen mij dat hij het niet was; er loopt dus wellicht iemand met dezelfde naam rond die het wel is – een gepensionneerde arts-cardioloog die in Aalst woont.
Het enige boek dat van hem bekend is bij de Koninklijke Bibliotheek Brussel is de bundel ‘Nulgedichten’.
Hij componeerde een lied met als titel “Gezellelied”.
Hij vertaalde gedichten van de Amerikaanse dichter Stephen Crane (1871-1900) die in 1978 in Nieuw Vlaams Tijdschrift verschenen.
Hij was een van de tien dichters wiens ‘poëtische slogan’ op 8 mei 1981 afgedrukt werd bij de wereldpremière van het Pionier-project (een ‘mobiele drukkerij op zonne-energie’ van kunstenaar Raphaël Auguste Opstaele).
Hij schreef minstens 1 science fiction-verhaal dat opgenomen werd in ‘Science Fiction: status of status quo?’ (een essay- en verhalenbundel uit 1977)
Hij was uitgever of redactiesecretaris – in ieder geval: betrokken bij – het ‘nieuw literair jongerentijdschrift SCHRIJVEN‘ dat in 1978 het levenslicht zag.

NULGEDICHTEN
De bundel / het cahier ‘Nulgedichten’ bestaat uit 4 aparte delen.

De cyclus ‘Nulgedichten’ bestaat uit 3 gedichten (‘Kleuren’, ‘Keuze’ en ‘Zondagnacht op maandagmorgen’) die gedrukt zijn op een leporello met 2 slagen.
De cyclus ‘Geknoopte leegte’ bestaat uit 4 gedichten (‘Omgekeerd is niet beter’, ‘The call of the abyss gives me his deathly kiss’, ‘Geen titel’ en ‘Dood & dood’) die gedrukt zijn op een leporello met 3 slagen.
De cyclus ‘Toren’ bestaat uit 2 gedichten (genummerd I en II) op een dubbelgevouwen blad.
Het laatste deel is een dubbelgevouwen blad met daarin twee lithografieën van de auteur; beide zijn – net als het colofon van de volledige uitgave – genummerd 28/50 en gesigneerd.

Er zijn 3 dominant aanwezige thematieken in de 9 gedichten terug te vinden: dood, zelfmoord en vallen (uit ramen, in afgronden).

HAMVRAAG
Hoe komt het dat deze dichter(-cardioloog?), deze ‘literaire dwerg’ – ik hanteer die omschrijving met alle respect voor de man en zijn gedichten/vertalingen, maar de getallen spreken voor zich: zijn literaire productie is verwaarloosbaar – door het, toch enigszins prestigieuze, Ziggurat uitgegeven werd?
Ik stuur de man een brief en hoop het antwoord snel te weten te komen.

Standaard