boek, studentenlied, studentenliedboek, studentica

Bitu du Blue Pharma

WIE: S.N.
WAT: Bitu du Blue Pharma
WAAR: aangekocht op 2dehands.be
WANNEER: aangekocht 22 november 2022
JAAR: 1999-2000

Ze zijn zeldzamer dan een goeie wedstrijd van de Rode Duivels op het W.K. voetbal, maar af en toe stuit ik nog es op een (Belgisch) studentenliedboek dat ik nog niet kende en/of waarvan ik nog geen exemplaar in de collectie heb. De “Bitu du Blue Pharma”, een bij elkaar gekopieerd en gelijmd liedboekje voor eerstejaarsstudenten farmacie uit het academische jaar 1999-2000, is er zo een.

De titel doet vermoeden dat het een uitgave is van een Waalse studentenkring aan een katholieke universiteit; zij gebruik(t)en studentenliedboeken met als titel “Petit Bitu” of “Le Bitu Magnifique”. Maar op pagina’s 2 tot en met 6 staan achtereenvolgens “Lied van geen taal”, “Hymne à la pharmacie” en “Chant des pharmaciens” en dat zijn liederen die aan de Vrije Universiteit Brussel / Univesité Libre de Bruxelles gezongen worden.

Op het hierboven genoemde “Lied van geen taal” en het scabreuze “En ik ben op een avond met een meisje meegeweest” staan er geen Nederlandstalige liederen in deze “Bitu”; in dit liedboek ook geen Duitse of Engelse liederen. En slechts een Latijns studentenlied: “Gaudeamus igitur”; het “Io vivat” ontbreekt wonderwel.

Standaard
beeldend werk, bibliofiel, broadsheet, grafiek, poëzie

Jazzcafé 1958 (Jos Daelman & Cel Overberghe)

WIE: Jos Daelman (gedicht) en Cel Overberghe (ets)
WAT: Jazzcafé 1958
WAAR: aangekocht op 2dehands.be
WANNEER: aangekocht 3 februari 2019
JAAR: s.d.
UITGEVERIJ: Galerij De Clercq

Ik houd van jazz.
Ik geloof dat mijn eerste bewuste kennismaking met jazz, de eerste keer dat ik het bewust apprecieerde, in 1981 was. Dat was het jaar waarin mijn ma de lp “Breakin’ Away” van Al Jarreau kocht; ik was zeven en compleet onder de indruk van zijn interpretatie van “Blue Rondo à la Turk” en “Roof Garden”.
Miles Davis, waarvan ik ongetwijfeld eerder al (muziek) gehoord had, maar die ik nog niet echt kende, ging ik 10 jaar later appreciëren, omdat hij de soundtrack verzorgde bij een hachelijke situatie waar ik, in de nacht van 27 op 28 juni 1991, uit gered werd door twee hippietypes in een oude Volkswagenbus. Ik was scholier in mijn voorlaatste jaar van het middelbaar in Turnhout, mijn toenmalige lief was hogeschoolstudente in Geel en op de laatste donderdag van het academiejaar trok ik mee naar een TD. Haar moeder zou ons om 2 uur ’s nachts daar oppikken en terug naar Turnhout rijden. Aan het stuur van de wagen die om 2 uur op de plek van afspraak op de Ring van Geel stopte, zat niet haar moeder, maar haar vader die – zonder enige andere aanleiding of reden dan het feit dat ik het lief van zijn dochter was – een hekel aan mij had. Die eikel vertikte het om mij een lift te geven en stoof, onder luid protest van zijn dochter, weg nog voor ik de kans kreeg om in te stappen. Het was midden in de nacht en ik was 30 kilometer van huis. Met mijn duim in de lucht begon ik richting Turnhout te wandelen. Het aantal auto’s dat na een half uur wandelen voorbij gereden was, was minimaal. En geen enkele chauffeur had blijkbaar zin om midden in de nacht een langharige tiener, met zwart potlood onder de ogen en in een lange, zwarte lederen jas een lift te geven. In het slechtste geval, zo rekende ik uit, kon ik, als ik stevig doorstapte, net op tijd thuis zijn om te douchen, mij om te kleden, mijn boekentas te pakken en op mijn fiets te springen om naar school te rijden de volgende ochtend. Ik versnelde mijn wandelpas. Vijf of tien minuten later hoorde ik vanuit de verte een zware dieselmotor naderen, draaide mij om en stak mijn arm en duim nog maar eens uit. De oude, gammele Volkswagenbus die ronkend genaderd was, vertraagde, pinkte en stopte. De passagiersdeur zwaaide open en een “naar waar moete?” rolde naar buiten. In het busje: twee types die, moesten zij die nacht hebben staan liften, wellicht nog minder kans hadden gehad om meegepakt te worden en die net vertrokken waren om naar het Roskilde Festival in Denemarken te gaan. Om alvast in de festivalstemming te komen, hadden ze een fles rode wijn tussen hen in staan en ging er een dikke joint rond. In de cassettespeler stak een opname van een live-optreden van Miles Davis; ik was zeventien, héél erg blij dat ik niet een hele nacht zou moeten wandelen, compleet onder de indruk van wat ik hoorde en, nog voor die twee kerels mij voor de voordeur van het ouderlijke huis hadden afgezet, fan voor het leven.

Ik houd van poëzie.
Twee jaar voor die nachtelijke lift ontdekte ik de liefde voor de poëzie. De mogelijkheid tot liefde voor de poëzie was enkele jaren voordien bijna in de kiem gesmoord door een leerkracht die geloofde ze te kunnen doen ontluiken door 12-jarigen te verplichten Gezelles “Boerke Naas” uit het hoofd te leren. Maar dankzij de ontdekking van onder andere Jules Deelder kwam het er gelukkig toch nog van. Dat Deelder een groot jazzliefhebber en -kenner was, heeft mijn interesse voor het genre alleen maar versterkt.

Ik houd van de combinatie van jazz & poëzie. En binnen die combo misschien wel het meest van sax & poëzie.
Tijdens de nieuwjaarsreceptie van uitgeverij Vrijdag, in januari 2019, liet ik vallen dat ik voor de voorstelling van mijn bundel “op de rand van het zwijgen”, later dat jaar, graag het podium wilde delen met jazzmuzikanten. De naam Cel Overberghe werd toen gedropt. Niet veel later botste ik toevallig op “Jazzcafé 1958” – een map met daarin het gelijknamige gedicht van Jos Daelman en een ets van Cel. Al even toevallig stonden Cel en ik drie weken later samen in de line-up van een poëziemiddag in de Peperfabriek in Antwerpen – Cel was behalve pionier van de vrije, geïmproviseerde jazz in België en kunstenaar ook dichter ondertussen. Van het ene kwam het andere en toen op 10 mei 2019 mijn bundel werd voorgesteld in Boekowski las ik twee cycli uit die bundel begeleid op sax / door Cel voor.

Dat Cel in een vorig leven de kost verdiend had als illustrator van de Eendjes-, Uiltjes- en Okapireeksen van uitgeverij De Sikkel – boekjes waarmee ik in de lagere school had leren lezen en waarmee dus de basis voor mijn latere boeken- en poëzieliefde gelegd werd – was daarbij een kers op de taart.

Standaard
boek, non-fictie, studentica

De Universiteit van Tuktoyaktuk

WIE: Boudewijn Büch
WAT: De universiteit van Tuktoyaktuk
WAAR: aangekocht bij antiquariaat Supplement (Nijmegen)
WANNEER: aangekocht 23 oktober 2022
JAAR: 1992

25 oktober: in Nijmegen wordt een boek overhandigd aan PostNL om naar mij te verzenden
27 oktober: volgens de trackinginformatie op de website van PostNL is het boek “verzonden naar land van bestemming”
Daarna blijft het stil bij PostNL.
Op 4 november contacteer ik de verzender met de vraag om de klantendienst van PostNL te contacteren om te polsen of zij een update kunnen geven. De man laat mij weten dat ik “niet [moet] wanhopen; ooit was een pakket een maand onderweg naar België”. Ik verbaas mij over zoveel gelatenheid die ongetwijfeld het gevolg is van voortdurende en veelvuldige blootstelling aan de veel te dure non-service van PostNL, maar dring niet aan.
Op 7 november is er weer een update op de website van PostNL: het pakket werd, zogezegd, op 28 oktober al – stel je voor dat ze werkelijk zo efficiënt en snel zouden zijn bij PostNL – “bezorgd bij de ontvanger”. Quod non. Ook niet bij de buren, ook niet op het PostNL-punt om de hoek, ook niet op het postkantoor. Opnieuw contacteer ik de verzender met de vraag om tekst en uitleg te vragen bij de klantendienst. De verzender wordt wandelen gestuurd: het pakket werd geleverd, men kan niet zeggen op welk adres precies en “doei, trek je plan maar”.
Twee dagen later, 9 november ondertussen, opnieuw beweging op de website van PostNL: “Je zending is bezorgd bij de ontvanger”. quod iterem non est.
Ik berust in de droefenis die PostNL heet en neem me voor nog 2 weken 1 keer per week te checken of er beter nieuws is.
Vanochtend om 08:45 uur brengt de website van PostNL mij nieuw nieuws: “Je zending ligt op een sorteercentrum in land van bestemming. Bezorgtijd nog onbekend”.
Bij thuiskomst vanavond vind ik het boek – ruim 3 weken na verzending (en dat voor de ronde som van 7,25 euro, notabene) – in mijn brievenbus; al is dat onmogelijk volgens PostNL, want volgens hen ligt het nog steeds “op een sorteercentrum in land van bestemming”.
Ik geloof dat ik vanavond maar es een Nederlandse vlag ga verbranden en in het licht daarvan in mijn nieuwe aanwinst ga lezen om het gemoed te bedaren.

Standaard
boek, grafiek, studentica

Das schöne Mensurbild. 6 Blätter aus den Jährbuchern des Vereins für corpstudentliche Geschichtsforschung.

WIE: s.n.
WAT: Das schöne Mensurbild. 6 Blätter aus den Jährbuchern des Vereins für corpstudentliche Geschichtsforschung.
WAAR: aangekocht op Ebay
WANNEER: aangekocht +/- 2006/2007
JAAR: 1965

MENSUR
‘Mensur’ – ook wel academisch schermen of academisch duelleren – is een traditionele vorm van schermen (met scherpe degens) die beoefend werd/wordt door studentencorporaties aan universiteiten in voornamelijk Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, maar ook in Letland, Polen, Estland, Hongarij en zelfs België (hoewel duelleren met scherpe wapens hier bij wet verboden is).
Bij Mensur staan de tegenstanders (‘Paukanten’) op een vaste afstand van elkaar (die ook ‘Mensur’ genoemd wordt) en vechten vanuit deze vaste positie. Ze proberen beurtelings de onbeschermde delen van het hoofd en aangezicht van de tegenstander te treffen. Slagen van de tegenstander afweren mag enkel met de “vechtarm” en het is de bedoeling dat je je hoofd niet wegtrekt als de tegenstander slaat – de achterliggende idee is een stoïcijnse attitude cultiveren. Er zijn bij een Mensur-duel geen winnaars of verliezers; wie een duel gevochten heeft, heeft zichzelf onbevreesd overwonnen.
De afgemeten afstand (een degen- of klinglengte) varieert naargelang het lokale reglement (de “Comment”), net zoals de toegelaten slagen en slagreeksen.

RUDOLF BRUMMER
Op de titelpagina van deze uitgave kleefde al een ex libris van ene Rudolf Brummer met daarop verschillende elementen die ik al wel eerder zag – het boek staat al minstens 15 jaar in de BS&E – maar die me nu pas echt opvielen. Ik vermoed dat het om deze Rudolf Brummer ging.

Standaard
poëzie, typocscript

Typoscript “Zwerfstenen” (Piet Heus; 1967-1968)

WIE: Piet Heus
WAT: Typoscript “Zwerfstenen”
WAAR: Aangekocht bij antiquariaat Fokas Holthuis, Den Haag
WANNEER: Aangekocht tussen augustus en oktober 2021
JAAR: 1967-1968

PIET HEUS
Al wat u wil weten over Piet Heus, maar nooit durfde vragen, leest u hier.

ZWERFSTENEN
Het typoscript – elf A4-bladen, inclusief voor- en achterflap, samengeniet – telt acht gedichten. Titel, auteur en datering zijn in blauwe inkt op de voorkant geschreven. Zeven van de gedichten werden, al dan niet in (minimaal) aangepaste vorm, opgenomen in de cyclus “Speleogrammen” in de bundel “Auto-da-fé” die in 1971 bij De Beuk in Amsterdam werd uitgegeven.

Het eerste gedicht uit “Zwerfstenen” is het derde gedicht in de cyclus “Speleogrammen”; de tekst is in beide bronnen dezelfde. De atoombom-thematiek kwam ook al voor in het manuscript waar ik hierboven naar link.

Het tweede gedicht uit “Zwerfstenen” is het zesde gedicht in de cyclus “Speleogrammen”; de tekst is in beide bronnen dezelfde.

Het derde gedicht uit “Zwerfstenen” is het volgende.

Het is een andere/vroegere versie van het vierde gedicht in de cyclus “Speleogrammen”:

Gefluisterd in gedachtengangen van computers
in de jaren 60 – 70 is
ontstuimig toegenomen
de cultuur van rozen

wij maken geschiedenis
in driftig ontbladerde oerwouden

richten behoedzaam
op een marmeren schommeltafel
een laatste avondmaal aan

prevelen gelaten amen
in een schilderij van willink

Het vierde gedicht uit “Zwerfstenen” komt niet voor in “Speleogrammen”

Het vijfde gedicht uit “Zwerfstenen” is het zevende gedicht in de cyclus “Speleogrammen”; de tekst in beide bronnen verschilt één woord: in het typoscript staat in de vijfde versregel het woord “vijverberg” waar in de bundel “hofvijver” staat.

Het zesde gedicht uit “Zwerfstenen” is het vijfde gedicht in de cyclus “Speleogrammen”; de tekst in beide bronnen verschilt slechts waar het de enjambementen van strofe 4 betreft. In het typoscript staat er “praat mij woorden aan / transistormachtig / tot u”, in de bundel staat er “praat mij woorden aan / transistormachtig / tot u”

Het zevende gedicht uit “Zwerfstenen” is het negende gedicht in de cyclus “Speleogrammen”; de tekst is in beide bronnen dezelfde.

Het achtste gedicht uit “Zwerfstenen” is het achtste gedicht in de cyclus “Speleogrammen”; de tekst is in beide bronnen dezelfde.

Standaard
BS&E, manuscript, poëzie

Manuscript “Rozen op loog. Gedichten van Piet Heus” (+/-1945)

WIE: Piet Heus
WAT: Manuscript “Rozen op loog. Gedichten van Piet Heus”
WAAR: Aangekocht bij antiquariaat Fokas Holthuis, Den Haag
WANNEER: Aangekocht tussen augustus en oktober 2021
JAAR: +/-1945

PIET HEUS
Er is bijzonder weinig informatie terug te vinden over de Nederlandse auteur Piet Heus. In de archieven van het Nederlandse Literatuurmuseum zijn geen stukken over/van hem terug te vinden. In de archieven van het Vlaamse Letterenhuis bevinden zich 2 brieven (uit juni en november 1948) van Piet Huis aan Hubert Lampo (als redactiesecretaris van Nieuw Vlaams Tijdschrift), 3 brieven (uit maart en juni 1947 en uit september 1949) van Hubert Lampo (als redactiesecretaris van Nieuw Vlaams Tijdschrift) aan Piet Heus en een typoscript van 21 vellen van een prozastuk met de titel “De soldaat”.

De brieven uit 1947 hebben wellicht – ik keek ze nog niet in – onder andere betrekking op kopij van het gedicht “Testament” (zie hieronder) van Heus dat in de tweede jaargang (1947-1948) van Nieuw Vlaams Tijdschrift gepubliceerd werd. De brief uit september 1949 is een afwijzingsbrief nadat Heus “De soldaat” inzond – dat weten we uit de beschrijving bij dit archiefitem.

Van “De soldaat” bezit ik ook twee typoscripten. Het ene maakte deel uit van hetzelfde lot waarin het manuscript van “Rozen op loog” toe behoorde, het andere komt uit de nalatenschap van Anita Rambonnet. Hoe dat bij haar terechtkwam en/of wat de band tussen Heus en Rambonnet was, blijft voorlopig nog een open vraag.

Heus (°1917 of 1918 / + 1986) is voornamelijk gekend als kinderboekenauteur: “Gert-Jan zoekt een baas”, “Gert-Jan heeft een autoped”, “Gert-Jan droomt” en “Eva en Gert-Jan” zijn vier titels van zijn hand die in de jaren 1950 verschenen.
In de jaren 1960 was hij medesamensteller van elf deeltjes “Mozaïek: bloemlezing voor het lager onderwijs” voor leerlingen van het eerste tot en met zesde leerjaar. Hij was ook vertaler (van Engelse kinderboeken van Barbara Sleigh). En dichter; in 1965 verscheen de bundel “met houten handen” en in 1971 de bundel “Auto-da-fé” (beiden uitgegeven door De Beuk in Amsterdam). Dat hij al veel langer poëzie schreef, mag o.a. blijken uit de publicatie van zijn gedicht “Testament” in “Nieuw Vlaams Tijdschrift” (Jaargang 2, 1947-1948) en het manuscript dat ik vorig jaar aanschafte.

ROZEN OP LOOG
De gedichten in het manuscript dateren uit de jaren van de Tweede Wereldoorlog – er is een gedicht met als titel ‘Kerstnacht 1942’ en er is een gedicht dat alludeert op de atoombom(men) die in 1945 boven Japan gedropt werd(en). In tegenstelling tot de gedichten die in 1965 en 1971 bij De Beuk verschenen, die het werk zijn van een ‘gerijpt’ dichter die een eigen stem gevonden heeft, klinken de gedichten in dit manuscript nog niet ‘gerijpt’ – bij momenten zelfs nog wat puberaal – en zoekend.

HET MANUSCRIPT & GETRANSCRIBEERDE GEDICHTEN
Het manuscript telt 21 gedichten waarvan enkel ‘Testament’ ooit gepubliceerd werd. De 20 anderen worden hier dus wellicht voor het eerst publiekelijk geopenbaard.

Heus had een net en duidelijk handschrift; dat maakte het transcriberen van de teksten redelijk eenvoudig. Toch was ik over een enkel woord hier en daar niet zeker, die woorden plaats ik tussen vierkante haken.

*
Vergankelijk is al het zijnde:
de koolstronk en de nevelvlek,
de roodvonk en de ezeldrek
het gaat voorbij, vergaat, of loopt ten einde.

*
Gij, zoon van Ammon-Rah,
die, twintig jaren, dag aan dag
honderdduizend onderdanen
hebt laten slaven aan een graf,
dat de eeuwen moest trotseren;
die, in vergankelijkheidsnegeren
uw tijdelijk verblijf liet conserveren;
aanvaard de straf
voor uw verwaten eeuwigheidsbegeren:
In een museum ligge uw lijk
voor Jan-en-alleman te kijk.

*
Aan A.

Ons samenzijn blijft een verdriet,
want nimmer konden uwe kussen
de schaduw doen vervagen tussen
mijn hart en uwe ogen; immer ziet
mijn ziel van u een ander beeld dan mijn verstand;

en daardoor kan het strelen van mijn hand
het beven van uw leden niet bedaren
en blijft in uwe ogen weemoed staren
om onvervulde hunkering – de gebaren
gaan dan [trager en] de ogen worden afgewend
en wij [tr]achten naar een glimlach, die het waren
van haat om de geschonden trots ontkent;
en om de vriendschap te bewaren.

*
Aan A.

Wees stil, te zwaar bewegen lippen;
te stroef, te dik, te wild klinkt wat onzegbaar is;
laat ook elke gedachte glippen;
en luister naar de duisternis
vanuit de diepte van de nacht en van het hart.
Wanneer een zachte wind daaruit is opgekomen
die stil beweegt aan bladeren van bomen
en ritselt in de ruigte van verborgen smart;
dan wordt in ons een zingen zonder zwaarte
dat uitzingt al wat onuitspreekbaar is;
dan wordt in ons een diepe klaarte;
dan zijn wij opgenomen met het groot geheimenis.

*
Kerstnacht 1942

De nacht ligt, zwart van wanhoop en ellende
ontgoocheld neergezegen in een koud heelal.
’t Is lang geleden, Heer, sinds Gij de mens verwende
met Engelengezang; nu houdt de duivel bal
en [zint], hoe hij hun hymne swingen zal
voor zijn festijn: een schlager, op bekende
woorden, te zingen in een zwijnenstal.
Zie, hoe hij grijnst: de drummer hoort hij al.
De nacht kreunt dof van wanhoop en ellende.

*
Momentopname

Asgrauwe hemel
Rondom de maan
even ver[goud].

Een zwaluw vouwt
voelend de dreiging der gespannen strakte
van de hemelsvlakte
zijn vleugels saam.

Duikt weg naar ’t nest.

*
Nacht.

Deze versluierde bleekgele maan –
dit mistig licht, waartegen
de donkere contouren van geboomte langs de wegen
scherp helder afgetekend staan –
dit doelverloren ogenblik
waarin de wind zacht in zichzelf begint te zingen –
dit zich-gebeuren-laten van de nachtelijke dingen
en ik, die op mijn rug lig en niet langer wik
of weeg waarom, waarheen, waartoe,
die nu alleen maar ben, en lig, en niets meer doe.

*
Beseft de vlo, die in mijn benen bijt,
mijn bloed wellustig uitzuigt, dat de tijd
hem niet gelaten worden zal
om te verteren, wat hij mij ontstal?
Mijn rust eist zijn onmiddellijke dood.
Ergeniswekkend gulzig is van dit rood
ongedierte aan mijn bloed het wreed genot.
Maar tergender voor mij de onbewustheid met zijn lot
die het hem mogelijk maakt, wat ik niet kan:
volkomen opgaan in een vreugde, zonder [ban]
van het besef: en dan.

*
Er is een simpele ontroering
waarin het leven goed wordt, kind.
Soms, in den avond, brengt een stille wind
het water even in beroering.

Zie je de peppels aan de oever staan?
Vervoeringen beginnen, waar de sferen raken.
Soms, als wij stil zijn en de wind wil, raken
verrukkingen tot waar wij staan.

*
Mijn lief

Opgedragen aan de Canadezen.

Mijn lief, ik wil je niet sommeren,
hoewel: het spuit de gaten uit,
zoals jij flirt met deze heren.

ik zag het in de spiegelruit –

Je weet: ik houd niet van dresseren;
en bovendien ben ‘k niet zo kreen,
dat ik je spel niet kan waarderen;
maar één ding: ik ben niet van steen.

Wil dus, geliefde, permitteren
dat ik uitga op onderzoek
bij gindse dame, in die hoek:
misschien wil zij zich negligeren

vanavond nu jij mij verzaakt.
Amië, ik ga [retireren]
Good luck en au revoir, je raakt
wel weer tot wederkeren.

O ja, nog iets: je blijft alleen?
So long.

*
Testament.

Geliefde, als ik ben gestorven,
begraven en geheel vergaan,
hoef je mijn nagedachtenis te laven
noch te verzorgen met een traan.

Leg ook geen bloemen te verdorren
op een onbehouwen steen:
Tracht te aanvaarden zonder morren
dat ik ben wijlen en verdween.

En leg in godsnaam mijn gebeente,
uit piëteit of anderszins
niet onder goudbespreukt gesteente,
nazaten dwingend tot een kinds

daas liptrillen van ontroering,
of eerbied – of welk ander kuis gevoel
zij kunnen trekken op hun smoel.
Je weet, hoe mij dat soort vervoering

gewoonlijk aandeed als odeur
ter verdrijving van een luchtje,
spaar mij geliefde, deze geur
in mijn toch al bedompt gehuchtje

Herinner jij je nog, de vele keren,
dat je mij vond, luisterend naar een boom?

dat stille ruisen maakte mij bijna vroom –
Ik zou zo graag als boom reïncarneren.

Plant, lief op mijn graf een oleander,
waarin ik weer als sap opstijgen kan.
En ga dan sokken stoppen voor een ander,
want jij kan toch niet zonder man.

*
Ik heb het godeloze woord nog niet gevonden
waarmee ik eenmaal zeggen zal, hoe ik de wereld vind.
Voorlopig lig ik in het gras en hoor de wind
die speelt met bloemen en niet [tolt] met zonden.

Geen dominee zal ooit de wind verkonden
dat er een god is, die zijn spel ontuchtig vindt,
noch één een bloem waarschuwen voor het kind
waarvan de vader niet wordt weergevonden.

Daarom mag ik zo graag stil liggen in een wei
en mij vermeien in hun zorgeloze spelen.
Ik moet het woord nog vinden: als ik [vrij]
begint onmiddellijk mijn jeugdgod op te spelen.

*
Dichter.

Hij is behept met het dressaat: cultuur
gedwongen door libidocensuur;
hij sublimeert zijn driftteveel in verzen.

Als ik ze lees, analyseer,
hemzelf ook zie, bevroed ik meer:
hij sublimeert een drifttekort in verzen.

*
Ballade.

Hij werd ontvangen per ongeluk:
een condoom ging stuk.
De vader huwde, de moeder baarde.
Hij kwam zodoende op aarde
in een wettig gezin.

Hij had het bloed van zijn vader
het gemoed van zijn moeder,
zijn ziel van God.
Hij verloochende alledrie:
de eerste, die vroom geworden was;
de tweede, die nooit meer genas
van de hypochondrie
die daardoor ontstond;
de derde, die hen verbond
maar hem liet verrekken
toen hij de waarheid wilde ontdekken.

Hij zocht bij een vrouw vergetelheid.
Zij ontdekte hem aan zijn bloed
koppig als champagne
Zij dronk er driftig van en [nijd]
spatte uiteen in eeuwigheden
Toen had hij de vermetelheid
tot haar te zeggen: hiervan genoeg
Laat mij nu zacht voor je zijn:
In je ogen is God.

Zij heeft hem weggespot.

*
Atoombom

Een blind kind heeft het licht gezien
dat het gesplitst atoom uitbrak.
Dat licht ontstak
een wilde vreugde op haar blind gezicht.

En die het in de krant zien staan
schudden hun hoofden even:
Tienduizenden vergaan.
Eén gaat leven.

*
Het is misschien niet nodig te begrijpen
waarom ons Lieve Heer de wereld schiep.
Misschien ook denken wij te diep;
liet hij de orde uit de chaos rijpen
omdat hij daar plezier in had;
en stoot hij weer die orde in brokken
opdat wij mensen zouder mokken
te zijner verkneutering: en dat
is dan de zin van het gebeuren;
voor dominees die met genade leuren
wat onvoordelig, maar voor ons voorbeeldig.

*
Vader.

Zijn lijk, door wormen nog niet aangevreten
is reeds [van] vriend en maagschap te vergeten
verrottingsoverblijfsel van een geest
die men wel niet onmiddellijk weet te ontbinden
in de herinnering, waar zijn bestaan het beest
ontketende, dat christelijkgezinden
in zich niet dulden kunnen, maar die wel
door zeer vergiffenisgezinde spoedgebeden snel
kan worden uitgeloo[g]d. [Hier] smeekt men God.
Hij wast en reinigt elk geweten
dat door daemonen wordt bezeten.

*
Vader II

Aan Anneke Hoekstra

Het nummer van uw graf
ligt ergens op mijn kast.

Zijt gij nog niet vergaan?
Ik zag vannacht uw ogen
en [naast] uw mond
de diepe kerven.

Ik dacht u lang ontbonden.

Uw ogen keken aan.
Ik zag uw lippen trillen
als voordat gij gingt spreken.

Wilt gij mij nog iets zeggen?
Ik was niet bij uw sterven.

Moet ik van u nog erven
meer dan alleen mijn bloed?

Ik heb sinds lang begrepen
hoe schuldeloze schuld
geluk verdoemt.

Ik ken sinds lang het leed
dat door geluksverlangen
kan worden aangedaan.

Ik moet in mijn bestaan
uw wezen boeten.
Moet ik het ook verzoenen?

Ik kan het niet.

*
Voor Anneke

Wees zacht voor mij, want ik verwilder
door hersensodomie.
Je maakt mijn zinnen milder

  • mits ik je ’s avonds zie.
    In een verlaten straat
  • geef mij een zoen –
    bij straatlantarenschijn
    kan ik mij nog verbinden
    iets goed te doen.
    Kan jij een leugen vinden
    om samen één te zijn.

*
De liefde tot een vrouw wil mij niet lukken
Geen vagina is nog in staat mij nog te verrukken
Ik moet mijn lot aanvaarden en het overgeven
dat ik in woorden, niet in vlees, mijn wezen uit moet drukken.

*
Lot?

Waar Sodom en Gomorra zijn vergaan
is nu een zoutzee – en er moet
ergens een zoutpilaar zijn blijven staan.
En Lot, die met de overmoed,
waarmee hij eenmaal koos: dàt land,
toen wel voorgoed had afgedaan,
was zonder vreugde of verdriet

zijn dochters hebben voortgeplant –
toen hij zich willoos huwen liet.

Standaard
efemeer, poëzie

Pink Poets-Paspoort

WIE: Pink Poets
WAT: Identiteitskaart Pink
WAAR & WANNEER: Aangekocht bij antiquariaat Demian op 5 januari 2022
JAAR: na 1978, voor 1982

IDENTITEITSKAART PINK
Vijftig jaar geleden – wellicht op 24 oktober 1972 – richtten Patrick Conrad en Nic van Bruggen de ‘Pink Poets‘ op.
Het gezelschap telde officieel 13 gecoöpteerde leden. Stichter Conrad ontwierp een paspoort voor die leden. De identiteitskaart was pas geldig wanneer de 13 handtekeningen van alle Pink Poets op de kaart stonden en wanneer er een pink-afdruk van de houder van de identiteitskaart op stond. Vervalsing van deze kaart was niet zonder risico want daar stond een “kleine doodstraf” op volgens een vermelding op de kaart. Volgens de website van Demian is het originele ontwerp het enig bekende ingevulde exemplaar met de handtekeningen van vrijwel alle ‘Pink Poets’. Conrad zelf gebruikte het document volgens eigen zeggen als officieel identiteitsbewijs. De andere leden van het ‘Pink gezelschap’ hadden er blijkbaar geen behoefte aan.

DATERING
Volgens Paukeslag.org – een website van het Poëziecentrum – werd dit paspoort gecreëerd op 24 oktober 1972. Dat is misschien de oprichtingsdatum van de Pink Poets, maar zeker niet de datum waarop dit paspoort ontworpen en ingevoerd werd. Op de achterzijde staat namelijk niet de naam van Hugues C. Pernath (die in 1973 lid werd, maar in 1975 overleed) en wel die van Raymond van den Broeck die Pernath als dertiende Pink Poet verving; maar dat was pas in 1978. Aangezien het gezelschap in 1982 officieel opgeheven werd, is dit paspoort dus ergens tussen 1978 en 1982 ontworpen, gedrukt en (nauwelijks of niet) gebruikt.

HET EXEMPLAAR VAN CONRAD
Antiquariaat de Slegte bood ooit het exemplaar van Patrick Conrad aan. Conrad was – hoewel mede-oprichter – volgens het paspoort Pink Poet #09. Conrads paspoort was gedeeltelijk ingevuld, maar de pink-afdruk, foto en handtekeningen op de achterzijde ontbreken ook op zijn exemplaar.

Standaard
Anita Rambonnet, brieven / correspondenties, BS&E, foto

Twee brieven van Adriaan Roland Holst aan Anita Rambonnet

WIE: Adriaan Roland Holst
WAT: Twee brieven aan Anita Rambonnet uit oktober 1930 en maart 1931
WAAR & WANNEER: Toegestuurd door antiquariaat Batavia (Barendrecht, NL) in januari 2022
JAAR: 1930

Tussen augustus 2021 en januari 2022 kocht ik bij antiquariaat Batavia een aantal loten met manuscripten, typoscripten, tekeningen, foto’s, uitgaven,… uit de nalatenschap van de Nederlandse kunstenares en schrijfster Anita Rambonnet-Daponte (zie ook hier, hier, hier & hier).
Het antiquariaat stuurde bij mijn laatste aankoop een map met een aantal extra items mee die ik nog niet echt aandachtig bekeken en bestudeerd had. Toen ik dat eergisteren wel deed, vond ik in de map onder andere kopieën van twee brieven van Adriaan Roland Holst aan Anita Rambonnet.

BRIEF 1 – OCT. 1930

Beste Anita,

Ik had indertijd het genoegen je in ‘de Gids” te introduceren; mag ik nu een goede kennis van mij uit Parijs bij jou introduceeren, in de hoop, dat jij wellicht eenigszins een gids of hulp voor haar zal kunnen zijn? Het betreft de Comtesse Clauzel, een heel aardige mevrouw, die ik vroeger in Parijs dikwijls zag; zij schrijft mij, dat zij een reis gaat maken via Britsch-Indië naar onze koloniën, en vraagt, of ik haar misschien enkele introducties kan geven. Behalve aan jou zal ik ook schrijven aan den Raad van Indië, v. Kan, en aan Hélène v.d. Burgh-Tindal. Ik weet natuurlijk niet absoluut zeker of haar reisroute haar ook nog bij jou zal brengen, maar mocht dat zoo zijn, zou je haar dan willen ontvangen en er, voor zoover je dat mogelijk is, toe mee willen werken haar verblijf te veraangenamen. Het zal de moeite lonen, want zij is een bijzonder aadrige vrouw, zeer ontwikkeld en met een levendige belangstelling. Het heeft mij altijd gespeten, dat ik na dien avond in Den Haag met je vriendin nooit meer iets van je gezien heb. Mocht ik nog eens van je hooren, dan hoop ik, dat ’t goede berichten zullen zijn.
In juli was Bald H. nog enkele malen bij mij; hij studeert geschiedenis in Leiden, maar zonder veel animo, en ’t zal wel niet lang duren. Je hoorde misschien al wel, dat John door zijn familie op ’t nippertje van een faillissement gered werd, en nu naar Zuid-Afrika wordt “weggewerkt”.
Ik was 9 maanden lang in Zwitserland en Italië, en heb gelukkig nogal goed kunnen werken.
Eh bien, ik beveel Mme Clauzel in je hartelijkheid aan, en ik twijfel niet of zij zal er wel bij varen.

Hartelijke groeten
van
Jany

Bergen. N.-H.
Oct. 1930.

In de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren vind ik geen bijdrage(n) van Rambonnet – onder haar eigen naam of de mij bekende pseudoniemen – aan “de Gids” (waarvan Hols redacteur was) terug. Het is mij een raadsel wat het doel of het resultaat van de introductie door Holst was.

Wie Comtesse Clauzel was, heb ik ook niet met zekerheid kunnen achterhalen.
Gaston Alexandre Bertrand Clauzel, Comte Clauzel, werd geboren in Toulon in 1873 en overleed in Parijs in 1951. Hij was ambassadeur van Frankrijk in Oostenrijk en tussen 1904 en 1926 getrouwd met Madeleine Thomas van Bomberghe (1883-1975); in 1926 scheidde het stel. In 1928 hertrouwde hij met Thérèse de Vienne (1876-1966). Aangezien de brief in 1930 geschreven werd, neem ik aan dat er naar deze laatste dame verwezen wordt.

Helene – zonder accenten – van den Burg-Tindal werd op 1 april 1888 in Amsterdam geboren als Helene Jacqueline Jeanne Marie Tindal. Op 5 juni 1914 trouwt ze in Soekaboemi (Indonesië) met Daniel Frederik van den Burg die in 1887 geboren werd in Semarang (Indonesië) en in augustus 1962 – iets meer dan een jaar nadat hij van Helene scheidde – overleed in Tasikmalaja (Indonesië). Hij was werkzaam als administrateur van de rubberfabriek Tjiseroe in Tjipari.

Wie is de John die van een faillissement gered moest worden door zijn familie? Is het John Rädecker – de beeldhouwer, schilder en tekenaar die ook in Bergen woonde en ook bevriend was met Annie Toorop (zie brief 2)? Het zou kunnen, hoewel ik m.b.t. hem geen informatie kan vinden over een bijna-faillissement of een verblijf in Zuid-Afrika rond die tijd.

Wie “Bald H.” was, kon ik nog niet uitpluizen.

A.R. Holsts roepnaam onder vrienden was Jany; aangezien hij de brief zo ondertekent, mogen we aannemen dat Holst en Rambonnet elkaar op vriendschappelijke basis kenden en ontmoetten “dien avond in Den Haag met je vriendin”. Wellicht was dat in 1928 toen Rambonnet vanuit Nederlands Indië in verlof was in Den Haag.

Anita Rambonnet en dochter Nini in verlof (vanuit Nederlands-Indië) in Den Haag (1928) – Collectie Bibliotheca Studentica & Erotica

BRIEF 2 – DONDERDAG 5 MAART 1931

Donderdag.

Ik ben vol schaamte, beste Anita, dat ik je brief, die hier en daar nogwel bijna tot een kreet om lafenis kleurde, nog altijd niet beantwoordde. De laatste maanden was ik erg in mijn werk verdiept en leefde bijna voortdurend in vrij volstrekte afzondering, wat leidde tot het verwaarloozen van haast alle verbanden naar buiten. Eerst dacht ik nog tegen half januari weer naar Ascona te gaan, waar ik ruim een jaar geleden kwam en 5 maanden lang goed kan werken, maar nu het mij hier ook lukte, gaf ik de voorkeur aan een eigen omgeving, en voorloopig zal ik wel hier blijven. Wel heb ik een vaag plan het volgend najaar een tijd in Spanje zoek te brengen. Je brief was werkelijk als een kreet in de woestijn (der verschroeiende banaliteit). Ik voel iets als een machteloos meelij met je verdorsten in dat land. Overal behooren de meeste menschen tot de almachtige meedogenlooze en domme N.V. der Runderen en Grutters, maar het Europeanen-dom in Indië zal deze waarheid wel cursief in je hart drukken – daar twijfel ik geen oogenblik aan. Dat jij een aard hebt, die daartgen in onvermoeiden opstand blijft, pleit voor je, maar ’t maakt er je leven niet makkelijker door. Het zoeken naar zelfexpressie zal wel je groote probleem blijven zoals voor ieder mensch, die door het leven in een omgeving geplaatst werd waar zijn wezen veel te kort komt, en die zich daarvan bewust wordt en er niet in berusten kan. En in dat zoeken blijkt de Kunst of de Schoonheid dikwijls de Sphinx, die den zoeker betoovert en naar zich toetrekt. Er liggen heel wat verbleekte geraamten tusschen haar groote steenen voeten – dit klinkt niet erg bemoedigend, en misschien hoefde ik ’t niet eens te zeggen, want je zult zelf de gevaren wel weten, en zet je dan toch door, dan is dat misschien het bewijs dat je ’t moet doen. Hierin kan een ander niet raden, en ik kan alleen hopen, dat je eens een gevoel van je leven toch vervuld te hebben, zal bereiken.
Is Mme Clauzel nog op komen dagen?
Ik hoorde niets meer van haar.
Annie en Bep maken het goed. Ze is erg vervuld van de Amsterdamsche Toneel-oorlog waar haar verafgoden broeder natuurlijk ook met huid en haar in betrokken is. Over een dag of 10 ga ik een dag logeeren in Noordwijk bij Bald H., die daar woont sinds hij in Leiden geschiedenis ging studeeren. Je hoorde waarschijnlijk wel van de sociale catastrophe van John?
Ik hoop dat je mij nog eens wat laat hooren, quand le coeur vous en dit – en dan beloof ik mij beter te gedragen wat beantwoording aangaat.

Hartelijke groeten van Jany.

Bergen. N.-H.
Maart 5 ’31

Wat er in de, lang onbeantwoord gebleven, brief van Anita Rambonnet stond, weten we niet, maar uit Holsts antwoord kan wel afgeleid worden dat het leven in Soekaboemi (West-Java), waar haar echtgenoot George François Rambonnet tussen 1926 en 1933 de eerste officiële Nederlands-Indische burgemeester was, geen pretje was voor een adelijke, maar vrijgevochten en artistieke, dame als zijzelf.

Ascona is een Zwitsers badplaatsje dat bij het begin van de twintigste eeuw een kunstenaarsdorp en toevluchtsoord voor utopisten en idealisten aller landen was. Onder andere Hermann Hesse, Thomas Mann, James Joyce en Carl Jung woonden/werkten er. Maar ook Adriaan Roland Holst verbleef er in 1929 een aantal maanden, net als E. du Perron zoals blijkt uit deze foto met beide heren uit dat jaar.

E. du Perron en A.R. Holst in Ascona in 1929 – bron: http://www.eduperron.nl

De Annie die genoemd wordt, is wellicht kunstenares Annie Fernhout-Toorop die sinds 1922 ook in Bergen woonde.
De Bep die genoemd wordt, is wellicht Elisabeth Geertruida de Roos, ook Elisabeth du Perron – schrijfster, vertaalster en echtgenote van E. du Perron die haar Bep noemde.

De “verafgoden broeder” is vermoedelijk Rob(ert) de Roos – de jongere broer van Bep die in de jaren ’26 en ’27 betrokken was bij ‘Wij nu’, de experimentele toneelbeweging in Amsterdam en later als componist muziek voor toneelvoorstellingen schreef. De “toneel-oorlog” die zich in die tijd afspeelde in het Amsterdamse toneelwereldje heeft waarschijnlijk betrekking over de discussies m.b.t. een fusie tussen de Koninklijke Vereniging Het Nederlandsch Toneel en Het Amsterdamsch Toneel die toen gevoerd werden.

Standaard
beeldend werk, boek, brieven / correspondenties, poëzie

Over die keer dat een Amerikaanse uitgever naar Duitsland vloog om mij 227 dollar aan verzendkosten te besparen

WIE: Vachel Lindsay
WAT: The Poetry of Vachel Lindsday, complete & with Lindsay’s drawings (Volume 1-3) & The Prose of Vachel Lindsay, complete & with Lindsay’s drawings (Volume 1)
WAAR: Aangekocht bij David Pichaske van uitgeverij Spoon River Poetry Press / Ellis Press en bij Westsider Book (New York)
WANNEER: Aangekocht op 26 maart 2021 & 12 april 2021
UITGEVER: Spoon River Poetry Press
JAAR: 1984, 1985, 1986 & 1988
BLZ.: 407, 409, 297 & 338

THE COMPLETE VACHEL LINDSAY
Vorige week haalde ik “The Poetry of Vachel Lindsday, complete & with Lindsay’s drawings (Volume 1-3)” en “The Prose of Vachel Lindsay, complete & with Lindsay’s drawings (Volume 1)” nog eens uit de boekenkast.
In de nieuwste editie van “Pöeziekrant” hield Michael De Cock zijn “Pleidooi voor poëzie”; dat pleidooi zette mij aan het stukje, dat ik helemaal onderaan deze blogpost overneem, op mijn Facebookmuur te gooien.

THE INCOMPLETE COMPLETE VACHEL LINDSAY
1983: het werk van Vachel Lindsay is, 52 jaar na de dood van deze ooit immens populaire Amerikaanse dichter/performer, uit bijna alle anthologieën, scholen en het collectieve geheugen verbannen en zijn oeuvre is niet meer in nieuwe druk te krijgen. Daar wilde Spoon River Poetry Press weer verandering in brengen met de steun van de Illinois Arts Council en Dennis Camp, PhD. Dennis Camp was een professor Engelse literatuur, medewerker bij het “Vachel Lindsay Home” in Springfield, IL en ook lange tijd curator van dat laatste.

De uitgaven van SRPP hebben niet de reputatie van Lindsay kunnen redden of in ere herstellen; dat was (wellicht ook niet de bedoeling). Hoewel Lindsday bij het begin van de twintigste eeuw (ook) op handen gedragen werd door zwarte auteurs als Langston Hughes, Arna Bontemps,… wordt hij sinds enkele decennia weggezet en geannulleerd als een “foute dichter”. Die veroordeling is, naar mijn mening, erg kort door de bocht en op slechts enkele gedichten uit zijn omvangrijke oeuvre gebasseerd. Dat men daarbij zijn niet te onderschatten verdiensten voor de (Amerikaanse) poëzie en zijn invloed op latere generaties (podium)dichters ook volledig naar de vergetelheid verbannen heeft, is jammer. Iets met een kind en badwater.
De uitgaven van SRPP hebben wel zijn werk weer beschikbaar gemaakt en aangetoond dat Lindsay, ondanks zijn kleine kantjes en/of excessen, een geniaal kunstenaar en schrijver was.

Dennis Camp verzamelde alle gedichten van Lindsay en rangschikte ze in chronologische volgorde – naar (vermoedelijke) ontstaansdatum, niet naar publicatiedatum – en voegde ook het illustratiewerk van Lindsay, verzameld uit talloze tijdschriften en uitgaves, aan de verzamelde gedichten toe. Deel 1 van de verzamelde gedichten bundelt alle poëzie die Lindsay tussen 1909 en 1920 schreef. Deel 2 die uit de periode 1920-1929, maar ook niet eerder uitgegeven gedichten en jeugdwerk. Het derde deel bevat Camps notities, appendices en een index van titels.

In 1988 komt ook het eerste deel van Lindsays verzamelde proza uit. Daarin zijn drie bekendste prozateksten:”Adventures While Preaching the Gospel of Beauty”, “The Village Magazine” en “The Art of the Moving Picture” (nog steeds een standaardwerk). Er waren ook plannen voor een tweede deel, maar dat is er door omstandigheden nooit gekomen. Ook de biografie van Lindsay waar Camp een half leven lang aan schreef, kon niet voltooid worden voor het overlijden van de auteur. De onvoltooide biografie is gratis downloadbaar op de website van de Vachel Lindsay Association.

EEN LANGE, TRAGE REIS VAN GRANITE FALLS NAAR SINT-PIETERS-RODE
Hoewel ik Lindsays werk al lang(er) kende en al wat werk van hem in huis had – de eerste druk van “Collected Poems by Vachel Lindsay” (1923, MacMillan & Co., Ltd, London), bijvoorbeeld – ontdekte ik de Camps-editie pas in de lente van 2021. Zwervend langs websites van Amerikaanse antiquariaten kwam ik al snel tot een dubbele conclusie. Ten eerste werden er geen complete sets aangeboden en was het incomplete aanbod pittig geprijsd tot belachelijk duur.
Omdat in de kelders van de meeste uitgeverijen wel ergens een verdwaalde doos met oude uitgaven terug te vinden moet zijn, mailde ik op 26 maart 2021 David Pichaske van de Ellis Press en (voorheen) de Spoon River Poetry Press: of hij mij toevallig de vier delen nog kon leveren; ook al waren ze decennia eerder verschenen.

Een dag later kreeg ik al een antwoord terug:
Dat hij verrukt is om te horen dat er iemand in Europa anno 2021 interesse heeft in Vachel Lindsay.
Dat hij poëziedelen 1 en 2 nog in zijn kantoor heeft staan en dat hij vermoedt dat deel 3 en prozadeel 1 nog in zijn opslagruimte heeft liggen.
Dat de verzending minstens 80 dollar zal kosten – meer dan de 4 boeken samen; de verkoopprijs van de uitgever is een schijntje bij de vraagprijs in de antiquariaten zo blijkt – en dat hij dat “ridiculous” vindt.
Dat hij voorstelt om de boeken in zijn bagage mee te brengen als hij binnenkort – “which will be as soon as we are permitted to come to Europe” – we zitten dan nog met covid-19-maatregelen opgescheept en er mogen geen toeristen het land binnen – weer naar Duitsland komt om zijn zoon en vrienden te bezoeken, want het jaarlijkse kerstbezoek was in 2020, omwille van dezelfde maatregelen, niet gelukt.
Dat hij de boeken, eventueel, ook mee kan geven aan de ‘nanny’ van zijn kleindochter – een Duitse jongedame “who will return to Germany in June”.
“As for getting payment to me,” voegt hij nog toe, “the easiest thing would be for you to mail Euros to my German friend/son Timm…AFTER you receive the books. What do you think?”

That sounded like a plan to me.

Weer enkele dagen later, op 2 april, een volgende mail in mijn inbox:

Well…the good news is that I have found a copy of The Prose of Vachel Lindsay, volume 1 (the editor died before we could publish volume 2); I cannot find a copy of Poetry volume 3.
The bad news is that I checked with UPS today, and their estimated delivery fee is – get this! – $227. That’s ridiculous. If you are not in a hurry, I can bring books with me next time we go to Germany (which will be as soon as we are allowed into the EU) and mail them then, from Berlin or Munchen. Maybe an acquaintance will be traveling into the EU before I go and I can send books along with him/her. Let me know if you arre in a hurry on this thing.

227 dollars om vier boeken te verzenden? En daar dan nog es douanekosten en BTW bovenop? Thanks, but no thanks. Dus liet ik David 3 dagen later weten:

Thank you for your email and update.
$227 is indeed ridiculous. But I am in no hurry; I am very curious about the books, but there’s no deadline – I’m not doing any research; I’m buying the books for my own library.

Ondertussen was ik verder op zoek gegaan naar poëziedeel 3 dat me geen rib uit mijn lijf kostte. Dat vond ik en ik vroeg David:

With regards to volume 3: there is an antiquarian bookseller in New York, NY that has a copy for sale for $25 – shipping within the USA would only be $5. I was wondering: would it be an option if I buy that volume online and have it shipped to you to bring it along with the other volumes when you come to Germany?

Nog dezelfde nacht confirmeerde David:

Well yes, that would work for volume 3. My shipping address is […]

De volgende ochtende contacteerde ik het New Yorkse antiquariaat:

Dear Sir or Madam,

I am interested in this book that you are selling.
But I would like to pay with Paypall. Is that possible?
With regards to shipping costs: I am based in Belgium but the book would need to be shipped to a friend within the USA who will bring it to Europe once the borders open again for tourists
.

En weer es zes dagen later kon ik aan David laten weten:

I received an answer to my email from the NY bookshop last night and paid their invoice this morning.
They will be shipping volume 3 to the address you provided below.

Diezelfde nacht David weer:

Okay–we’ll get these books to you one way or another some time or another.

Vijf dagen later een nieuw bericht in mijn inbox:

Lindsay Poetry volume 3 arrived yesterday. Now to figure out a way to get books to you. I’ll keep you posted.

Vier coronamaatregelmaanden later polste ik nog es:

Good evening David,

I hope all is well.
Just sending you a short e-mail to check if you already have an idea when you might be travelling to Europe.

Davids update een dag later:

The plan is to go to Bavaria over Christmas if travel from the US to Germany is permitted. One friend just visited from Canada and said she spent $250 on virus tests before and after her flights. Wow. The books emin on my shelf upstairs, waiting to be delivered.

Weer een aantal weken later, op 3 september een nieuw bericht:

Today we bought our tickets for the Christmas trip. We’ll arrive december 20, and I will get books in the mail to you ASAP.

Op 30 november, David weer:

We have our tickets for December 19; if all goes well, we should be in Munchen on December 20. I will bring Lindsay books and mail them to you from Germany. Just send me an address…

Ik, diezelfde nacht:

I’m crossing my fingers they will keep the borders open over the next couple of weeks – the situation is getting worse again in Europe despite the fact that a majority of the people has been completely vaccinated in the meanwhile.

My address is […]

Please let me know how much to pay and how.

Op kerstavond 2021 kon ik David het volgende blijde nieuws melden:

Dear David,

You’ve made it to Germany – the books arrived this morning. Best Xmas present ever!
Please let me know how much I owe you in total for the books and the shipping and how you want to receive the payment (bank account, paypal,…).

Best wishes for you and your loved ones

Enkele dagen in het nieuwe jaar, op 5 januari 2022, antwoordde David vanuit de VS:

And we made it back from Germany, after a long series of tests, checks, lines, and so on. This is not the best time to travel! I am glad to hear that the books arrived safe and sound. The postal system is doing its job. On the money…I do not do paypals because they want my debit card information, and I do not give anyone my debit card information. I get money to places overseas (notably England and Germany) by putting it in an envelope and mailing it. I do this every summer to England, and the money always gets there. I think the best/easiest thing for you to do would be to mail a letter containing a 50 Euro note (or maybe two 20-Euro notes) folded inside a blank sheet of writing paper to […].

Weer enkele dagen later ging de enveloppe op de post en op 3 februari 2022, ruim 10 maanden na het eerste contact, was de aankoop helemaal rond en volgde een laatste bericht:

The money arrived today. Thank you very much.
When I teach Vachel Lindsay later this semester, I will tell my students that someone in Belgium, even today, is interested in Lindsay’s work. They will be impressed.

Dat laatste betwijfel ik, maar dat deze trage manier van boeken verweven ook zijn charmes heeft, staat buiten kijf.

DE FACEBOOKPOST IN REACTIE OP MICHAEL DE COCKS ‘PLEIDOOI VOOR POËZIE’

In de nieuwste Poëziekrant mag auteur/acteur/regisseur Michael De Cock het jaarlijkse ‘Pleidooi voor poëzie’ voor zijn rekening nemen, maar dat doet hij niet, want “zolang er mensen zijn zullen er verhalen en ontroering zijn, en zal er dus ook poëzie zijn”. Daar is hij “redelijk gerust in”. En wij met hem.
Wat hij wel doet: zich afvragen hoe die poëzie er in de toekomst uit zal zien en ons “drie voorzetten” geven.

Het doel van die voorzetten? Poëzieliefhebbers aansporen: “breek uit de bundel, kom los van het blad, ga eens een keer luisteren op zo’n avond waar jonge dichters met vallen en opstaan, soms wisselende kwaliteit, de poëzie van morgen aan het schrjiven, slammen en bedenken zijn”.
De toekomst van de poëzie, zo meent De Cock, ligt op het (slam)podium en in het theater. Hij komt tot die conclusie via 2 poëzievoorstellingen – voorzet 1 & 2 – die hij zag: de voorstelling ‘One Song’ op het theaterfestival van Avignon en Anne De Keersmaekers dansinterpretatie van Shakespeares 18e sonnet brengen hem bij ‘slam poetry’ (voorzet 3).

De Cock is niet van de straat en weet natuurlijk, dat geeft hij ook aan, dat poëzie in gedrukte vorm een ‘recent’ gegeven is waar een gigantisch lange orale voorgeschiedenis aan voorafgegaan is. Maar als hij het interpreteren van een poëtische tekst door dans of slam poetry – “poëzie gemaakt, bedacht en gedicht […] om live voorgedragen […] te worden” als iets nieuws en/of als de poëzie van de toekomst bestempelt, dan komt mijn zendingsdrang opnieuw boven en wil de poëziemissionaris in mij weer de “Gospel of Beauty” van Vachel Lindsay gaan preken ter bestrijding van de waan-van-de-dag-barbarij.

Vachel Lindsay trad bij het begin van de vorige eeuw al met een danseres op in theaters; hij zong of declameerde ritmisch-zangerig zijn gedichten op de achtergrond van het podium terwijl de danseres er een dansende interpretatie van gaf. Bij een aantal van zijn in druk verschenen gedichten, gaf hij ook dansinstructies in de marge mee.

Vachel Lindsay schreef 100 jaar voor ‘slam poetry’ een gekend begrip werd in Vlaanderen al “poëzie gemaakt, bedacht en gedicht om live voorgedragen te worden”. In 1906 trok hij, zijn “Poems to be traded for bread” in de knapzak, te voet door de V.S., zichzelf van kost en inwoon voorziend door zijn gedichten live te performen voor de mensen die hem een bed voor de nacht bezorgden. Twee en vier jaar later ondernam hij nog twee trektochten door de V.S. op die manier. In de jaren die volgden trok hij overal in de V.S. volle theaterzalen met zijn live-optredens en poëtische performances. De laatste twintig jaren van zijn leven was hij, omwille van zijn live-reputatie, een van de bekendste dichters in de V.S. Hoe het komt dat de man ondertussen vergeten is – zeg maar ‘uit de Amerikaanse canon geschrapt werd’ – is voer voor een andere post op een andere keer, maar ‘annuleercultuur’ kan het kort samenvatten.

De poëzie en voordracht van Lindsay wordt het vaakst en best omschreven als “chanted poetry” en Lindsay geldt als de schepper van de “jazz poetry”. Lindsay was een slamdichter avant la lettre, hij is wat mij betreft de enige ware moderne peetvader van de ‘slam poetry’ – oude wijn in nieuwe zakken – maar is helaas door nauwelijks een onhandige schrijnwerkershand vol slamdichters die 90 jaar na zijn tragische dood – volkomen berooid en met een gebroken gezondheid na een tournee van 6 maanden verzonk hij in een depressie en pleegde op 5 december 1931 zelfmoord door het drinken van een fles loog – op een podium klimmen gekend. Hand omhoog wie vanavond op het NK Poetry Slam of binnenkort op het WK Poetry Slam staat en mij het tegendeel kan bewijzen.

De missionaris in mij verkondigt daarom steeds opnieuw graag deze Blijde Boodschap: Vachel Lindsay zult gij eren! En gij zult niet meer op een podium kruipen voor ge zijn volledige oeuvre gelezen* hebt! Ge moogt het bij mij komen lenen.

*Of gehoord. Kort voor zijn dood werden er – gelukkig! – aan de Columbia University heel wat voordrachten van/door Lindsay op (aluminium) platen opgenomen; die kan je hier beluisteren:

Geniet!

Standaard