fotografie, studentica, textiel

“Ze studeerde botanique” – Speuren naar de originele eigenares van een oude studentenmuts

WIE: Marguerite Polderman
WAT: Faluche en foto (+/- 1920)
WAAR: Aangekocht via 2dehands.be
WANNEER: Aangekocht in de periode 2011-2013

OP DE KOFFIE
Ergens tussen 2011 en 2013 stuitte ik op 2dehands.be op een advertentie waarin een oude, zwarte faluche – een afhangend, studentikoos hoofddeksel zonder klep – te koop werd aangeboden. Mijn interesse was meteen gewekt. Ik kende, uit de literatuur over de geschiedenis van studentikoze hoofddeksels in België, eigenlijk alleen maar bruin-rode modellen. De zwarte faluche was mij onbekend.

Op een vrijdag reed ik, na de job, richting Antwerpen om de aanwinst voor mijn studentica-collectie op te pikken. De verkoper-op-leeftijd en zijn echtgenote nodigden mij binnen voor een kop koffie. Normaal zou ik daar vriendelijk voor bedankt hebben – ik had en heb niets met praatjes met onbekenden bij mijn koffie – maar in dit geval overwon ik mijn aversie voor dit soort gedoe en ging ik op het aanbod in. Ik wilde namelijk meer te weten komen over de provenance van dit ding.

Erg veel wist het echtpaar mij niet te vertellen, maar genoeg om verder te kunnen speuren naar de herkomst van deze faluche.
Dat ze toebehoord had aan Marguerite Polderman – een groottante, of iets van die strekking, van het stel aan wiens witte, formica keukentafeltje ik koffie dronk in een witte, kleine keuken.
Dat ze de eerste studente aan de univ van Gent geweest zou zijn.
“En ze studeerde botanique”, wist de man zich ook te herinneren.

Het echtpaar was op zijn beurt erg nieuwsgierig naar het waarom van mijn interesse voor dit oude hoofddeksel. Mijn enthousiasme over het verzamelen van studentica moet aanstekelijk gewerkt hebben, want bij een tweede kop koffie kwam ook een foto van Marguerite (mét de faluche op haar hoofd) en zelfs een kopie uit het register van Campo Santo – het ‘Père Lachaise’ van Gent – van de familiegrafkelder (waar zij begraven ligt) op tafel.
De foto – hoewel initieel niet te koop – kocht ik ook. Het grafkelderuitreksel kreeg ik ook mee – wellicht nam ik me daar en toen voor om ooit haar graf te bezoeken. Misschien moet ik dat, na het afronden van deze blogpost, eindelijk maar es een keer doen.

MEISJES-STUDENTEN
In de “Gentsche Studentenalmanak”, uitgegeven door het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan, van het academiejaar 1913-1914 is volgende studentenliedtekst – te zingen op de op melodie van het Afrikaanse volksliedje “Mama, ‘k wil een man hé” – met als titel “Meisjes-student” afgedrukt:

Papa, ‘k wil studeeren gaan!
Studeeren gaan, m’n lieve kind?
Wil-je dan niet blijven thuis?
Nee, papa, nee.
Blijven thuis, dat wil ik niet,
Want thuis daar studeer ik niet.
En dat is m’n plezier
Op de hoogeschool alhier.

Papa, ‘k wil studeeren gaan!
Wat studeeren, m’n lieve kind?
Wil-je worden advocaat?
Nee, papa, nee.
Advocaat dat word ik niet,
Want wetten dat verdraag ik niet.
En dat is m’n plezier
Op de hoogeschool alhier.

Papa, ‘k wil studeeren gaan!
Wat studeeren, m’n lieve kind?
Wil-je worden dan doctoor?
Nee, papa, nee.
’n Doctoor, dat word ik niet,
Want menschenbloed, dat mag ik niet.
En dat is m’n plezier
Op de hoogeschool alhier.

Papa, ‘k wil studeeren gaan!
Wat studeeren, m’n lieve kind?
Wil-je worden soms professoor?
Nee, papa, nee.
’n Professoor, dat word ik niet,
Van lessen geven houd ik niet.
En dat is m’n plezier
Op de hoogeschool alhier.

Papa, ‘k wil studeeren gaan!
Wat studeeren, m’n lieve kind?
Wil-je blijven soms student?
Ja, papa, ja.
’n Student, dat wil ik zijn!
Lijk ’n man wil ik vrij zijn!
En dat is m’n plezier!
Op de hoogeschool alhier.

Pas 31 jaar voor het ontstaan van dit studentenlied had de eerste vrouwelijke student zich aan de Gentse universiteit ingeschreven.
Dat was niét Marguerite Polderman, maar Sidonie Verhelst (1859-1906). Sidonie werkte als onderwijzeres aan een van de Gentse stadsscholen voor ze zich op 6 december 1882, op 23-jarige leeftijd, liet inschrijven als studente natuurwetenschappen. Ze was toen de enige vrouw op een totale populatie van 883 studenten en kreeg tijdens de colleges een speciale plek in de auditoria toegewezen: op de uiterste hoek van de eerste rij.

In 1913 waren er al meer vrouwelijke studenten aan de universiteit, maar het bleef een uitzonderlijk gegeven: op een totale populatie van 1.315 studenten zijn er in totaal slechts 28 vrouwen (2.1%); 4 onder hen volgen de “vrije leergangen”, de rest – 18 Belgisch en 6 buitenlandse studentes – volgen de “regelmatige leergangen”.

MARGUERITE POLDERMAN
Uit A.M. Simon-Van der Meersch’ “De eerste generatie meisjesstudenten aan de RUG. 1882-1930” – uitgave nr. 13, uit 1987, uit de reeks “Uit het verleden van de RUG” – weten we het volgende over Marguerite:

  • Ze werd geboren op 3 juli 1895.
  • Ze overleed te Gent op 15 september 1974.
  • Na haar universitaire studies bleef ze “zonder beroep”.
  • Haar vader was Henri Polderman, onderwijzer.
  • Haar moeder was Palmyre Van Loo, zonder beroep.
  • Zij huwde op 1 september 1923 met Georges Ballion; arts.

ZE STUDEERDE BOTANIQUE
Uit diezelfde bron, en meer bepaald uit hoofdstuk X (“Biografische gegevens over de meisjesstudenten”) weten we ook dat zij haar studies begon tijdens het academiejaar 1919-1920 – het jaar waarin de, uit Frankrijk afkomstige, faluche in het Vlaamse studentenleven wordt geïntroduceerd – en dat zij in dat academiejaar in haar “1ste kand. nat. wet.” zat. Voor het academiejaar 1920-1921 staat zij vermeld als studente in de “2de kand. nat. wet.” Natuurwetenschappen, dus. Geen “botanique” of plantkunde. Die specifieke studierichting wordt pas voor de academiejaren 1921-1922 en 1922-1923 genoemd, wanneer zij haar “1ste. doct. plantk.” en “2de doct. plantk.” doorloopt. Haar (eerste) vier jaren aan de universiteit slaagt zij respectievelijk met twee maal “grote onderscheiding” en tweemaal “de grootste onderscheiding”.

In “Tabel 8 – Ontwikkeling van het aantal regelmatig ingeschreven eerstejaars-meisjesstudenten van Belgische nationaliteit per faculteit (1918/19-1929/30)” (cfr. afbeelding hieronder) in Simon-Van der Meersch’ boek wordt geen eerstejaarsstudente in de natuurwetenschappen vermeld voor het academiejaar 1919-1920, maar wél één eerstejaarsstudente plantkunde; de tabel gaat – in tegenstelling tot een eerdere tabel voor een eerdere periode in het boek – uit van de uiteindelijke afstudeerrichting van de studentes en niet van de oorspronkelijk begonnen studierichting.

Het Antwerpse echtpaar had dus slechts/toch een beetje gelijk.
Hun groottante was niet de eerste vrouwelijke student aan de universiteit van Gent, maar wél de eerste vrouwelijke student die afstudeerde in de richting plantkunde.
De dissertatie waarmee Marguerite afstudeerde droeg de titel “Les mycorhizes endotrophes” en kan ook vandaag nog in de universiteitsbibliotheek geraadpleegd worden.

SCHEIKUNDE
Volgens hoofdstuk X in “De eerste generatie meisjesstudenten aan de RUG” was Marguerite Polderman ook tijdens het academiejaar 1923-1924 nog aan de universiteit ingeschreven als doctoraatsstudente in de scheikunde. Of ze dat jaar ook examens aflegde is onwaarschijnlijk. Waar er voor de vorige studiejaren GO (grote onderscheiding) of DGO (de grootste onderscheiding) aangegeven stond, prijkt nu een vraagteken.
Zou haar huwelijk of misschien een zwangerschap daar wat mee te maken hebben?

ZONDER BEROEP
De vrouwen die tussen 1882 en 1930 aan de universiteit afstudeerden waren meestal “van goede huize” en/of “goed getrouwd”. Hoewel er dus meestal geen economische noodzaak was om uit werken te gaan, deed 90% van de 160 dames die in die periode afstudeerde dat wel.
Marguerite Polderman bleef “zonder beroep” hoewel haar plantkundige kennis haar man als arts zeker van pas gekomen moet zijn.

DE FOTO & DE FALUCHE
Op de foto waarop Marguerite Polderman de faluche op het hoofd heeft, zijn er op de voorzijde van het hoofddeksel 3 (brons- of goudkleurige) sterren aangebracht.
Het is een oud studentikoos gebruik – dat ook vandaag nog toegepast wordt bij die enkele clubs die nog studentenpetten dragen – om een ster per afgerond academiejaar op de pet te dragen. Aangezien Marguerite 3 sterren op de faluche draagt, mag geconcludeerd worden dat ze al drie academiejaren aan de universiteit achter de rug heeft en dat deze foto genomen werd tijdens het academiejaar 1922-1923 toen ze aan haar tweede doctoraatsjaar plantkunde bezig was.

Op de faluche, zoals die zich vandaag in de collectie van de Bibliotheca Studentica & Erotica bevindt, zitten 4 sterren. Het ontbreken van een vijfde ster versterkt de hypothese dat ze haar vijfde academiejaar – als doctoraatsstudente in de scheikunde – niet afrondde.

Behalve de sterren zijn ook volgend zaken op de voorzijde van de faluche aangebracht:

  • Een Minerva-hoofd; symbool voor menselijke geest & wijsheid, in die tijd wellicht ook het symbool waarmee studenten van de wetenschapsfaculteit zich onderscheidden van andere studenten/faculteiten.
  • Een laurierkrans; in het Nederlandse studentenleven was/is dit het symbool voor afgestudeerde doctorandi, aangezien Marguerite dit symbool pas aanbracht na haar vierde academiejaar en aangezien er in die periode ook geëxperimenteerde werd met Nederlandse studentikoze gewoontes en vormen in Vlaanderen is het niet onwaarschijnlijk dat de krans hier dezelfde betekenis draagt.
  • Een stukje zwart-wit lint; vermoedelijk om aan te geven dat zij afkomstig was van Gent – de stadskleuren van Gent zijn zwart en wit, ook vandaag draagt de club van Gentse studenten in Gent nog deze kleuren. Of zou er een link zijn met haar afstuderen? Het lintje werd pas tijdens of na haar vierde jaar aan de universiteit op de faluche aangebracht – op de foto ontbreekt het – en het hoofd en de krans zijn boven op het lintje aangebracht.

De blauwe kleur van de bies van de faluche kan verwijzen naar de Gentse universiteit zelf – de ‘corporate colors’ zijn tegenwoordig blauw en wit; geen idee hoe dat in 1919 zat – en/of naar de kleur van de wetenschappenfaculteit (blauw).

ZWART?
Toen in 1919 de universiteiten, na het einde van de eerste wereldoorlog, weer geopend werden, was de Duitse studentenpet – die in 1907 haar intrede deed in het Vlaamse studentenleven – niet meer aanvaardbaar voor de studenten en door sommige academische overheden zelfs verboden. De Vlaamse studenten droegen voortaan, naar het voorbeeld van de Franse studenten, een faluche (ook wel ‘een flat’ genoemd).
Zoals ik bij het begin van deze blogpost al meldde: in de literatuur over de Vlaamse, studentikoze geschiedenis is de faluche geen onbekende, maar in de meeste bronnen wordt enkel gesproken over een bruinrode of bordeauxrode uitvoering. Toch vind je, heel af en toe, ook informatie over een zwarte versie terug

In “Herinneringen van meer dan vijftig jaar geleden” (in: De Brug, jg. IV, nr. 4-5, blz. 238-249) herinnert de Gentse professor Robert Foncke – student in Gent tussen 1907 en 1910 zich het volgende: “Graag tooiden zich de meesten van ons met de Gentse studentenpet, toen bestaande uit een donkergroene muts met kleine klep boven de ogen. Overeenkomstig de bezochte faculteit was er een verschillend symbolisch teken op aangebracht en daaronder een verguld koperen sterretje ter aanduiding van ieder geslaagd examen. Alleen in zeer uitzonderlijke gelegenheden kwam men iemand tegen met een flat van zwart fluweel, die het lidmaatschap van de Algemene Studentenmaatschappij verklapte.”

Welke “Algemene Studentenmaatschappij” bedoelde hij.
Het meest voor de hand liggend, is de “Société Générale” (voluit: Société Générale des Etudiants Catholique de Gand; ook wel: de Gé Catholique).
Ik dacht lang dat het die vereniging niét kon zijn; want zij droegen en dragen weliswaar een zwart, studentikoos hoofddeksel, maar dan het model ‘calotte’ in plaats van ‘faluche’. Het “Wapenboek der Studentenclubs” spreekt dan weer over een zwart-witte muts – aangezien de term ‘muts’ eigenlijk niet gebruikt wordt om een ‘calotte’ te beschrijven, zou het dus kunnen dat zij op een bepaald moment een andere type hoofddeksel droegen.

Er bevindt zich in het archief van de universiteit van Gent ook een zwartwitfoto waarop 6 studenten met 6 verschillende studentikoze hoofddeksels op het hoofd afgebeeld zijn. De tweede en derde persoon van links op die foto dragen beiden een faluche. In het onderschrift bij de foto – op de website van het archief – staat volgende verduidelijking: “De pet verraadt de student. Vlnr: astrakan of ‘calotte’ (Franstalig en katholiek), zwarte muts (’t Zal wel gaan), rode muts (Vlaams en katholiek),…)”.

Was Marguerite Polderman lid van de Gé Catholique of van het vrijzinnige Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan? Of van nog een andere vereniging? Ik ben vast van plan ook die vraag ooit te beantwoorden.

Standaard
non-fictie, studentica, typocscript

Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent (18 april 1969)

WIE: Prof. Dr. J.J. Bouckaert; rector aan de Rijksuniversiteit Gent
WAT: Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent; typoscript; 4 vellen; tekst op recto
WAAR: schenking vanuit de Blumengarten Bibliothek in Oudenaarde
WANNEER: 16 augustus 2011
FORMAAT: A4

BLUMENGARTEN BIBLIOTHEK
We ontmoetten elkaar in al die jaren slechts twee keer in levende lijven.
Een eerste keer in Oudenaarde. Daar dronken we op een terras op de markt een Trappist. Ondertussen hielden we in het oog welke gelukkige sterveling aan de haal zou gaan met het kunstwerk dat ik daar, in het kader van Am I Yours? achtergelaten had en praatten we over boeken. Uiteraard.
Een tweede keer in Leuven. Daar dronken we in café Domus een Trappist; om een boekenruildeal te bezegelen: mijn 3-delige “Ars Erotica: Die erotische Buchillustration im Frankreich des 18. Jahrhunderts” van Ludwig von Brunn tegen zijn 4-delige “Volkshuisraad in Vlaanderen” van dr. Jozef Weyns. En om over boeken te praten, uiteraard.
Maar we ‘kennen’ elkaar al een jaar of vijftien of langer online; als gast en gastheer en vice versa op onze boekenblogs: mijn Bibliotheca Studentica & Erotica-blog en zijn Blumengarten Bibliothek-blog (die tegenwoordig huis houdt op Facebook).

Op 16 augustus 2011 werd in de Blumengarten Bibliothek met de nodige zorg een pakketje klaargemaakt voor verzending. In die zending een handgeschreven briefje:

“Een toespraak van een rector aan zijn opstandige studenten…
Misschien hoort dit document toch meer thuis in een bibliotheek waar andere studentikoze streken hun sporen nagelaten hebben. Zowel in de bibliotheek als bij de conservator, denk ik.
Beschouw dit als een vriendschappelijke gift tussen twee dromers, en hun beider droombibliotheek.”

Was getekend: met vriendelijke groeten, Danny Peeters, Blumengarten Bibliotheek.

In die zending ook: een tekst van 4 pagina’s, tekst getypt op de recto-zijde, met als titel “Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent” en, in handschrift, met groene balpen in de rechterbovenhoek van de eerste pagina, gedateerd “18/4/69” en gesigneerd.
Het is wellicht niet de tekst van een toespraak die rector uitgesproken heeft, maar eerder een mededeling die in de verschillende faculteiten ad valvas verspreid werd n.a.v. de studentenprotesten in Gent die ruim een maand eerder begonnen waren.

PROKUS & PORNO – DE VLAM AAN DE LONT
Nadat in 1968 de studenten in Parijs en Leuven op straat kwamen, braken in maart 1969 ook in Gent protesten uit – het ongenoegen van de studenten en hun streven naar meer interne en externe democratisering was ook daar geleidelijk intenser geworden. De vlam aan de lont van de Gentse bom: een ‘wetenschappelijke vergadering’ van studentenvereniging ProKus rond het thema ‘Pornografie, zin en onzin’.

ProKus – een afkorting voor Progressieve Kultuurspreiding – was een studentenvereniging aan de universiteit van Gent die in 1965 werd opgericht met als doel hun vooruitstrevende opvattingen op cultureel vlak te verspreiden. Met die missie in het achterhoofd organiseerde ProKus op woensdag 12 maart 1969 in de Academiezaal van de universiteit een ‘wetenschappelijke vergadering’. Daar zouden 2 professoren (filosoof Etienne Vermeersch en musicoloog Jan Broeckx), advocaat John Bultinck, ene Drs. Smolders en schrijver Daniel Robberechts vanuit hun eigen vakgebied getuigen over de betekenis van pornografie in de samenleving. Er zouden ook dia’s vertoont worden met pornografische prenten uit de oudheid en met moderne ‘Zweedse kiekjes’.
Niet lang voor aanvang van de vergadering ontvingen de organisatoren een brief vanwege het rectoraat waarin gevraagd werd om enkel de oudheidkundige naakten te tonen – die konden als kunst beschouwd worden – maar niet de moderne pornografische beelden; de universiteit kon namelijk geen medewerking verlenen aan het openbare vertonen van pornografie en vreesde dat het parket zou ingrijpen.

Misschien zou die brief zonder verdere gevolgen gebleven zijn als het toeval niet een handje geholpen had: een forumgesprek met Franse studentenleiders, dat die avond elders in Gent gepland was, werd geannuleerd; de talrijke aanwezigen voor dat gesprek begaven zich dan maar naar het debat over pornografie. Daardoor daagden er plots circa 500 belangstellenden voor het ProKus-evenement op en steeg de gezamenlijke verontwaardiging over de “ongemotiveerde censuur” van het rectoraat plots exponentieel. Dat leidde ertoe dat het onderwerp van discussie niet langer ‘pornografie’ was, maar wel de autoritaire gezagsstructuren binnen (en buiten) de universiteit. Op het einde van de avond werd beslist om de volgende dag een protestmotie op het rectoraat af te geven.

RECTORAATSBEZETTING – DE BOM ONTPLOFT
Op donderdag 13 maart om 14:00 uur trekken drie- à vierhonderd studenten naar het rectoraat. Omdat de rector vernomen had dat de studenten niet slechts een protestmotie zouden afleveren, maar het rectoraat wilden bezetten, liet hij de deuren van het rectoraat sluiten.
De studenten eisten de rector te kunnen spreken, de rector voelde er weinig voor om zich te verantwoorden ten opzichte van “deze opgewonden massa waarmede een dialoog niet mogelijk was”.
Volgens de ene bron braken de studenten daarna de deur van het rectoraat open en stormden 150 à 200 personen het gebouw binnen, volgens een andere bron drongen een dertigtal studenten via een keldergat in het rectoraat binnen. Hoe dan ook: er bevonden zich plots studenten in het rectoraatsgebouw en die werden door de opgetrommelde politie hardhandig weer buitengewerkt. Drie studenten raakten gewond en een prof belandde in het ziekenhuis omwille van het politie-optreden. Een aantal studenten werd gearresteerd, een drietal zat zelfs bijna een week lang in voorarrest.

BLANDIJNBERGBEZETTING – ALGEMEEN PROTEST
In de dagen die volgedn werd het ongenoegen bij de studenten dag na dag groter. Na het weekend – op maandag 17 maart – trokken een dertigtal verongenoegden naar de faculteit Letteren en Wijsbegeerte op de Blandijnberg om het gebouw dag en nacht te bezetten. Het aantal medestanders groeide vrij snel uit tot een paar honderd studenten die gedurende een aantal dagen de faculteit bezet hielden en gebruikten als uitvalsbasis voor hun protestactiviteiten aan de hele universiteit en in de hele stad. – Ze werden hierin gesteund door de decaan en enkele profs van de L&W-faculteit en vertegenwoordigers uit de arbeidersbeweging. De studenten stelden onder andere een vijfpuntenprogramma op voor een nieuwe actieve en niet-repressieve universiteit waarin ze het elitaire en autocratische karakter van de universiteit bekritiseerden en meer inspraak in het bestuur en beheer van de universiteit eisten.

NACHTELIJKE INVAL
In de nacht van donderdag 20 op vrijdag 21 maart viel de rijkswacht, op vraag van de rector, de faculteit binnen om een einde aan de bezetting te maken. De ontruiming van het faculteitsgebouw verliep minder gewelddadig dan de ontruiming van het rectoraat een week eerder – de decaan, professor Elslander, had de ruim 500 studenten enkele uren eerder gesmeekt om zich desgevallend geweldloos terug te trekken. Een smeekbede van een mede-stander die niet in dovemansoren viel.
De rector hield het faculteitsgebouw daarna nog een week lang gesloten. De studenten weken uit naar andere locaties, maar de steekvlam was gedoofd en de beweging – al snel verscheurd door meningsverschillen over de te volgen actiestrategie – al over haar hoogtepunt heen.

DE NASLEEP
Op 28 maart legde de Academieraad sancties op aan een aantal van de studenten die twee weken eerder het rectoraatsgebouw bestormden. Volgens de ene bron kreeg een student een ‘consilium abeundi’ en de anderen slechts een officiële berisping. Volgens een andere bron werden initieel 17 studenten van de universiteit uitgesloten; later zou de rector laten weten dat 12 sancties “op een vergissing berustten” en zouden slechts 5 studenten uitgesloten blijven.
Nog eens drie weken later, aan de vooravond van het paasverlof, werd de “Mededeling vanwege het rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent” verspreid waarin de rector opriep “dat na het paasverlof niet weer zou teruggekomen worden op de incidenten die zich deze laatste weken hebben voorgedaan […] opdat de Universiteit zich opnieuw en volledig op haar normale werkzaamheden zou kunnen concentreren.”
Hoewel het vijfpuntenprogramma van 1969 nooit gerealiseerd werd, heeft het conflict wel een impact op de universiteit gehad – zo kregen de studenten in 1971, bij wet, inspraak in de verschillende raden, commissies en bestuursorganen van de universiteit en wordt geïnvesteerd in allerlei sociale voorzieningen.

BRONNEN

  • J.J. Bouckaert; Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent (18 april 1969)
  • F. Danniau; 1969 Studentenprotest; op: http://www.ugentmemorie.be; geraadpleegd op 15 februari 2021
  • A-M Simon-Van der Meersch; 20 jaar RUG-studenten in actie. 1968-1988; Archief RUG; 1988
  • A. Stefens; Op de barricade voor de seksuele emancipatie. Het engagement van professoren en studenten van de Gentse universiteit vanaf 1969 (Masterproef voorgelegd aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte voor het behalen van de graagd van Master in de Geschiedenis – 2014-2015)
Standaard
poëzie, regen jaagt weer, typocscript

Regen jaagt weer (#005) – Schussnig (maart 1939)

VOORAF
In april 2018 kocht ik op Catawiki een kavel met 139 (oorlogs)gedichten van een onbekende dichter. De gedichten – in manuscript en typoscript – werden geschreven tussen 18 juni 1937 en 15 september 1947. De meeste gedichten zijn in het Nederlands (of Nederlands dialect) geschreven, 8 gedichten zijn in het Duits geschreven.
In deze reeks “regen jaagt weer”-blogposts ontsluit ik de typoscripten/manuscripten/gedichten een voor een.
Om alle blogpost uit de reeks te lezen: klik in het menu op de categorie “regen jaagt weer“.

“In Innsbruck auf dem Berge / der treue Schussnig stand”

De dichter maakt een spelfout in de titel en het gedicht: ‘Schussnig’ moet ‘Schuschnigg’ zijn.
Het gedicht gaat namelijk over Kurt Alois Josef Johann (Edler von) Schuschnigg (1897 – 1977), die tussen 1934-1938 bondskanselier van Oostenrijk was.

Kurt Schussnigg – uit de collectie van Bibliothèque Nationale de France – publiek domein

“Er will dem Volke warnen / für drohendes Gefahr / […] / Die Erbschaft will er hüten / die ihm sein Freund erliess / sein Österreich soll bleiben / frei, wie es immer hiess”

Na de moord op Engelbert Dollfuss – de toenmalige bondskanselier & Schusschniggs vriend – door de nazi’s op 25 juli 1934, werd Schuschnigg diens opvolger. In 1936 werd hij ook minister van Oorlog en Binnenlandse Zaken. Hij regeerde sindsdien met dictatoriale volmachten.
Net als Dollfuss zocht Schuschnigg aanvankelijk steun bij Italië om de Oostenrijkse onafhankelijkheid te waarborgen. Nadat er echter een goede verstandhouding tussen Hitler en Mussolini was ontstaan, zocht Schuschnigg vooral steun bij Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Een herstel van het keizerrijk onder de Habsburgers werd door de Fransen en de Kleine Entente (Tsjecho-Slowakije en Roemenië) tegengewerkt.
Begin 1938 wordt Schusschnigg bij Hitler ontboden op diens buitenverblijf waar Hitler de ‘Anschluss’ van Oostenrijk bij Duitsland eist. Schusschnigg doet slechts enkele kleine toegevingen voor hij naar Oostenrijk terugkeert.

“Das höchste will er halten / das man ein Volk gewährt / die Freiheit van Gewissen / die jeder Mensch begehrt / / Frei soll das Volk jetzt wählen / über eignes Zukunft-Loos / kein Fremder darf sich misschen / ‘s ist Österreich’s Sache blosz /”

Terug in Oostenrijk trachtte Schuschnigg het volk via een plebiciet te laten beslissen of men vóór of tegen een ‘Anschluss’ was.

“Er mûsste bald erfahren / das Macht geht über Recht / und wenn Gewalt regieret / so geht’s dem Recht sehr schlecht / / Um teures Blut zu sparen / so giebt er endlich nach…”

Dat was niet naar de zin van Hitler; die dreigde met een Duitse bezetting indien hij niet zou aftreden als bondskanselier en de macht niet zou overdragen aan Arthur Seyss-Inquart. Schuschnigg, bevreesd voor een bloedige oorlog, trad af op 11 maart 1938, waarna President Miklas van Oostenrijk zich hevig verzette tegen de benoeming van Seyss-Inquart. Later zag Miklas zich toch genoodzaakt hem als bondskanselier aan te stellen. Oostenrijk kreeg de naam Ostmark en werd een provincie van het Groot-Duitse Rijk van Hitler.

“Ihr Schussnig is verschwunden / man schützt ihn durch die haft

Schuschnigg werd na de ‘Anschluss’ gearresteerd en opgesloten in een concentratiekamp. In 1945 werd hij door de Amerikanen bevrijd.

VRIJ VRIJE VERTALING

In Innsbruck op de berg
zag je de trouwe Schussnigg staan;
In Innsbruck, in zijn vaderland
hoort gans het land hem aan.

Hij wil het volk wijzen
op het dreigende gevaar;
hij spreekt met luide stem
heel duidelijk en klaar.

Hij wil de erfenis beschermen
die zijn vriend hem achterliet ;
zijn Oostenrijk moet vrij zijn,
vrij of anders niet.

Hij wil het hoogste goed behouden
waarmee men een volk vereert,
de vrijheid van geweten
die ieder mens begeert.

Vrij moet het volk nu stemmen
over haar eigen lot,
geen vreemde mag zich moeien,
’t is een Oostenrijkse zaak, bijgod.

Als iemand iets beloofde
met een handdruk en op erewoord,
daar wil hij op vertrouwen
al brengt het jaloezie en leed voort.

Hij moest snel ondervinden:
macht is sterker dan recht
en als geweld regeert
gaat het met het recht zeer slecht.

Om levens te sparen
heeft hij zijn protest gestaakt,
maar er zullen tijden komen
dat Oostenrijk ontwaakt.

Schussnigg is verdwenen,
zit in gevangenschap,
met hem verliest Oostenrijk
haar echte levenssap.

En wordt hij erg gemarteld,
laat ons doorheen de tijd
zijn naam noemen en hem eren;
eer die de andere hem benijdt.

Standaard
bibliofiel, broadsheet, poëzie

ER IS EEN POT – Erik Jan Harmens

WIE: Erik Jan Harmens
WAT: Broadsheet “ER IS EEN POT”
WAAR: Lebowski Publishers
WANNEER: 12 november 2019
FORMAAT: 150 x 330 mm
UITGEVER: Lebowski Publishers
JAAR: 2019
DRUK: 1
BLZ.: 1
OPLAGE: 100

KOM
Op 12 november 2019 werd de gedichtenbundel “KOM” van Erik Jan Harmens voorgesteld. Deze broadsheet werd n.a.v. die voorstelling gedrukt op 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. Het exemplaar in de BS&E is nummer 98.

Standaard
bibliofiel, broadsheet, poëzie

Gedicht voor Chet – Jules Deelder

WIE: Jules Deelder
WAT: Broadsheet “Gedicht voor Chet”
WAAR: Aangekocht bij De Eierland Pers
WANNEER: 13 februari 2021
FORMAAT: 210 x 450 mm
UITGEVER: De Eierland Pers
JAAR: 2011
DRUK: 1
BLZ.: 1
OPLAGE: 7

GEDICHT VOOR CHET
Het zetsel da Peter Duijff van De Eierland Pers gebruikte voor “Chet, Jules & Dick” werd, mits enige typografische aanpassingen, gerecupereerd om een broadsheet/vluchtschrift-versie te drukken. Volgens Duijff, in een email aan mijzelf d.d. 14 februari 2021, werden er 7 exemplaren gedrukt. Het mijn is op de achterzijde genummerd als 5/7.

Standaard
bibliofiel, boek, poëzie

Chet, Jules & Dick

WIE: Jules Deelder
WAT: Chet, Jules & Dick / Gedicht voor Chet
WAAR: Aangekocht bij De Eierland Pers
WANNEER: Aangekocht op 13 februari 2021
FORMAAT: 180 x 180 mm
KAFT: zachte kaft
UITGEVER: De Eierland Pers
JAAR: 2011
DRUK: 1
BLZ.: 8
OPLAGE: 50

CHET BAKER
In de nacht van donderdag 12 op vrijdag 13 mei 1988 viel de Amerikaanse jazztrompettist en -zanger Chesney (Chet) Henry Baker jr., waarschijnlijk onder invloed van drugs, uit een raam van het Hotel Prins Hendrik op de Prins Hendrikkade 55 in Amsterdam. Hij belandde met zijn achterhoofd op een stenen paaltje en overleed ter plekke. Chet Baker werd 58 jaar oud.

JULES DEELDER
In “Gedicht voor Chet”, dat in dit bibliofiele uitgaafje overgenomen is, maar dat oorspronkelijk opgenomen werd in “Jazz” (De Bezige Bij, 1992) – een bundel met gedichten en kortverhalen – memoreert Deelder een (fictieve?) ontmoeting met Chet Baker in Rotterdam twee dagen voor diens overlijden.

DICK WESSEL
Dick Wessel is, net als Peter Duijff van De Eierland Pers die deze uitgave maakte, een margedrukker. In 2011 werd Dick 65 jaar oud. Collega-margedrukkers maakten, zoals dat wel vaker gebeurd, een aantal mooie, bibliofiele uitgaafjes om dat heuglijke feit te vieren. “Chet, Jules & Dick” is de bijdrage van De Eierland Pers en werd gedrukt op 50 exemplaren; het exemplaar in de BS&E is nummer 10.

Standaard
boek, correspondentie, facsimile, non-fictie, poëzie

(De genesis van) Bezette Stad

WIE: Paul van Ostaijen
WAT: Bezette Stad (facsimile-uitgave)
WAAR: Aangekocht bij boekhandel Roelants in Nijmegen
WANNEER: Aangekocht op 22 mei 2014
FORMAAT: 220 x 285 mm
KAFT: Zachte kaft met oranje uitgeversband
BLZ.: 252

&

WIE: José Boyens
WAT: De genesis van Bezette Stad
WAAR: Aangekocht bij de Slegte (Antwerpen)
WANNEER: Aankoopdatum onbekend
FORMAAT: 250 x 310 mm
KAFT: Hard kaft met stofwikkel en uitgeversband
UITGEVER: Uitgeverij Pandora; Antwerpen
JAAR: 1995
DRUK: 1
BLZ.: 214

2021: VAN OSTAIJEN-JAAR
Het is vandaag honderdvijfentwintig jaar geleden dat Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928) geboren werd. Met die verjaardag wordt min of meer officieel een Van Ostaijen-jaar, vol activiteiten en evenementen rond de dichter en zijn werk, afgetrapt. Ik grijp die verjaardag graag aan om een blog te schrijven over de twee hierboven genoemde werken uit de BS&E.

BEZETTE STAD
De dichtbundel “Bezette Stad” schreef van Ostaijen in de zomer van 1920 toen hij in Berlijn in ballingschap verbleef. “Bezette Stad” werd in 1921 in Antwerpen gepubliceerd. De gedichten in de bundel staan in het teken van de Duitse bezetting van de stad Antwerpen, thuisstad van de auteur, tijdens de Eerste Wereldoorlog en ze drukken, meestal tussen de regels door, zijn nihilisme, dat verlangt naar een nieuw begin, uit. Voor van Ostaijen was de bundel “een vergif, als tegengif gebruikt” en een afrekening met zijn naïeve idealisme in de humanitair-expressionistische bundel “Het Sienjaal” (geschreven tijdens de laatste oorlogsjaren en verschenen in 1918).

Het voorbije weekend werd bekend gemaakt dat de Vlaamse Gemeenschap het originele manuscript van “Bezette Stad” aangekocht heeft. Het manuscript werd gedigitaliseerd en is vanaf vandaag hier volledig te bekijken. Vanaf vandaag en tot 27 juni zullen een aantal pagina’s ook fysiek te bewonderen zijn tijdens de expo “Bezette Stad” in het Letterenhuis.

Het handschrift van wat wellicht de bekendste pagina uit “Bezette Stad” is (foto: VRT).

Wie de verkoper van het manuscript was en hoeveel de Vlaamse Gemeenschap voor het manuscript betaalde, wordt niet bekend gemaakt. Maar ’t zal een aardige duit gekost hebben.
Ter illustratie en om u een idee te geven: in de, aan Paul van Ostaijen gewijde, catalogus van antiquariaat Demian die vanmorgen in mijn elektronische brievenbus toekwam wordt een, bij wijze van spreken en in vergelijking met dat van “Bezette Stad”, volkomen onbeduidend handschrift van slechts één pagina (dat van “Bezette Stad’ telt er 152) met slechts één, niet eens origineel (het is een Nederlandse vertaling van een Duitse vertaling van een oud Egyptisch vers) gedicht aangeboden. Kostprijs: 2.500 euro.
Ter verdere illustratie en om u een idee te geven: in mijn exemplaar van “De genesis van Bezette Stad” vond ik een krantenartikel d.d. 16 april 2001 uit De Nieuwe Gazet. Daarin het volgende nieuws: “Vanaf volgende maandag wordt het duurste boek uit de Nederlandse literatuur te koop aangeboden. Het gaat om het eerste genummerde exemplaar van een luxe-editie van Paul Van Ostaijens Bezette Stad, dat door de schrijver zelf geschonken werd aan zijn liefde-voor-het-leven, Emma Clément”. Kostprijs: 800.000 oude Belgische franken of iets minder dan 20.000 euro – en dat was twintig jaar geleden.

uit De Nieuwe Gazet (16 april 2001)

[Update twee dagen na het posten van deze blog: ondertussen werd bekend dat de Vlaamse Gemeenschap maar liefst 725.000 EUR betaalde. Zevenhonderdvijfentwintigduizend!]

“Bezette Stad” werd in 1921 op vijfhonderdveertig exemplaren uitgegeven; veertig exemplaren waren luxe-exemplaren (waarvan er tien, onder andere het hierboven genoemde exemplaar van Emmeke, ‘hors commerce’ bleven) en vijfhonderd exemplaren waren gewone handelseditie-exemplaren. Voor zover ik kan nagaan worden er op dit ogenblik geen luxe-exemplaren te koop aangeboden. Voor een gewoon exemplaar moet je momenteel 1.650 euro (antiquariaat Meilof in Nieuwe Pekela, Nederland), 2.080 euro (antiquariaat van Peter Bichsel in Zürich, Zwitsrland), 2.500 euro (antiquariaat Wim de Goij in Kalmthout, België) of zelfs bijna 6.500 euro (inclusief verzending vanuit Antiquariaat Ursus Books in New York, USA) ophoesten.

Zelf ben ik – en ook mijn bankrekening – nog steeds erg tevreden van de facsimile-uitgave (onder redactie van Gerrit Borgers uitgegeven in 2014 bij Boom Uitgevers in Amsterdam) die ik voor 29,95 euro kocht.

DE GENESIS VAN BEZETTE STAD
Het boek “De genesis van Bezette Stad” heeft een dubbel ondertitel; de eerste – “Ik spreek met de mannen en regel alles wel” – is een citaat uit een van de “Brieven van Oscar Jespers aan Paul van Ostaijen […] over het ontstaan van Bezette Stad en de Antwerpse groepering van het Sienjaal” (de tweede). Het eerste, inleidende deel van het boek gaat in op de vriendengroep rond van Ostaijen omstreeks 1920, het Sienjaal, enkele andere en verwante artistieke groeperingen en tijdschriften, de invloed van het (opkomend) expressionisme en andere moderne stromingen op “Bezette Stad” en ook over de vormgeving van die bundel en het aandeel van Oscar Jespers daarin. In het tweede deel worden negentien brieven uit de periode tussen 18 november 1920 en 26 april 1921 van Oscar Jespers aan Paul van Ostaijen opgenomen en uitgebreid toegelicht; de toelichtingen bij de brieven mogen als een kroniek van het Vlaamse, en in het bijzonder: Antwerpse, culturele leven omstreeks 1920 gelezen worden.

Standaard
poëzie, regen jaagt weer, typocscript

Regen jaagt weer (#004) – Stille armen (1938)

VOORAF
In april 2018 kocht ik op Catawiki een kavel met 139 (oorlogs)gedichten van een onbekende dichter. De gedichten – in manuscript en typoscript – werden geschreven tussen 18 juni 1937 en 15 september 1947. De meeste gedichten zijn in het Nederlands (of Nederlands dialect) geschreven, 8 gedichten zijn in het Duits geschreven.
In deze reeks “regen jaagt weer”-blogposts ontsluit ik de typoscripten/manuscripten/gedichten een voor een.
Om alle blogpost uit de reeks te lezen: klik in het menu op de categorie “regen jaagt weer“.

STILLE ARMEN (1938)
De krach van Wallstreet in 1929 zette wereldwijd een gigantische economische depressie in gang die vooral in de jaren ’30 voelbaar was, maar nog tot in de jaren ’50 zou nazinderen.
Ook Nederland – de dichter is voorlopig nog onbekend; zeker is wel dat hij uit Nederland kwam – werd zwaar getroffen door de krach van ’29 en hoewel de economie zich in 1936 een beetje leek te herstellen, volgde in 1937 een tweede, kleinere recessie. Die trof, samen met de toenemende politieke spanningen in Europa, de Nederlandse economie hard. De economische problemen en schrijnende werkloosheidscijers leidden tot verpaupering van een groot deel van Nederland.
In twee gedichten met (bijna) identieke titels roept de dichter diegenen die het zich kunnen permitteren op tot solidariteit met al die ‘stille armen’. Hieronder het tweede van de twee gedichten; het werd getypt op een vel dat rechtsbovenaan, in handschrift en potlood, genummerd is als vel #205 en het is, in handschrift en in potlood, rechtsonderaan op het vel gedateerd met “Dec. ’38”.

Standaard
poëzie, regen jaagt weer, typocscript

Regen jaagt weer (#003) – De stille armen (1937)

VOORAF
In april 2018 kocht ik op Catawiki een kavel met 139 (oorlogs)gedichten van een onbekende dichter. De gedichten – in manuscript en typoscript – werden geschreven tussen 18 juni 1937 en 15 september 1947. De meeste gedichten zijn in het Nederlands (of Nederlands dialect) geschreven, 8 gedichten zijn in het Duits geschreven.
In deze reeks “regen jaagt weer”-blogposts ontsluit ik de typoscripten/manuscripten/gedichten een voor een.
Om alle blogpost uit de reeks te lezen: klik in het menu op de categorie “regen jaagt weer“.

DE STILLE ARMEN (1937)
De krach van Wallstreet in 1929 zette wereldwijd een gigantische economische depressie in gang die vooral in de jaren ’30 voelbaar was, maar nog tot in de jaren ’50 zou nazinderen.
Ook Nederland – de dichter is voorlopig nog onbekend; zeker is wel dat hij uit Nederland kwam – werd zwaar getroffen door de krach van ’29 en hoewel de economie zich in 1936 een beetje leek te herstellen, volgde in 1937 een tweede, kleinere recessie. Die trof, samen met de toenemende politieke spanningen in Europa, de Nederlandse economie hard. De economische problemen en schrijnende werkloosheidscijers leidden tot verpaupering van een groot deel van Nederland.
In twee gedichten met (bijna) identieke titels roept de dichter diegenen die het zich kunnen permitteren op tot solidariteit met al die ‘stille armen’. Hieronder het eerste van de twee gedichten; het werd getypt op vel #139 en is, in handschrift en in zwarte inkt, rechtsonderaan op het vel gedateerd met “Dec. 1937”

Standaard
manuscript, poëzie, regen jaagt weer

Regen jaagt weer (#002) – Regen jaagt weer

VOORAF
In april 2018 kocht ik op Catawiki een kavel met 139 (oorlogs)gedichten van een onbekende dichter. De gedichten – in manuscript en typoscript – werden geschreven tussen 18 juni 1937 en 15 september 1947. De meeste gedichten zijn in het Nederlands (of Nederlands dialect) geschreven, 8 gedichten zijn in het Duits geschreven.
In deze reeks “regen jaagt weer”-blogposts ontsluit ik de typoscripten/manuscripten/gedichten een voor een.
Om alle blogpost uit de reeks te lezen: klik in het menu op de categorie “regen jaagt weer“.

REGEN JAAGT WEER
Het oudste gedicht in het kavel is een handgeschreven gedicht op een ongenummerd blad dat gedateerd is met “18-19 Juni 1937”. Het waren twee natte zomerdagen als we de dichter mogen geloven. Wat er op die dagen gebeurde waardoor “Holland [weer merkt] / dat zijn naam nog wordt geacht” is onduidelijk.

TRANSCRIPTIE
Regen jaagt weer,
Regen vlaagt weer,
Onophoudlijk uit de lucht.
Regen naar beneden klettert,
Dat het op de straten spettert,
Regen, waar de zon voor vlucht.

Holland werkt weer,
Holland merkt weer,
Dat zijn naam nog wordt geacht,
Uit het duister weer verschenen,
Gloeit een glans om Holland henen.
Holland’s [sic] geest is weer op kracht.

Standaard