bibliofiele zelfvoorziening

de ‘stepping stone theory’ in een notendop & toegepast op bibliofielen:
het begon onschuldig, mijnheer, met de aankoop van één enkel boekje, een pocket van kafka, geloof ik. & kijk…moet je hem nu zien: een hele dag in zo’n atelier, allemaal lettertjes & regeltjes & paginaatjes zetten om z’n eigen spul te drukken. & ’t was nochtans zo’n goeie jongen, vroeger.

om maar te zeggen: de eerste dag van mijn eerste workshop letterzetten zit er op & ’t smaakt naar meer.

Advertenties

oud-docenten tegen ’t lijf lopen op papier

Het juryverslag van de SchrijvesAcademie waar ik gisteren al naar verwees, heeft een nieuw interesse- & verzamelgebied blootgelegd. Of beter: een oude interesse opnieuw blootgelegd & daardoor een nieuw verzamelgebied aangeboord.

“De jury plaatst deze bundel in de traditie van het zoeken naar verstilling en bespiegeling. Daarbij merkt men echo’s van diverse canonieke dichters – iemand ziet in de keuze voor heldere poëzie die de doodsthematiek niet schuwt, zelfs hier en daar omarmt, een reminiscentie aan Jotie T’Hooft – en  men merkt tegelijk ook verwantschap met een dichter als Andy Fierens. De gebruikte stijlmiddelen (alliteraties, herhalingen, opsommingen, …) plaatsen hem ook in een mondelinge poëzietraditie.”

De verwijzing naar Fierens ligt, om verschillende redenen, voor de hand. De reminiscentie aan T’Hooft kwam als een (aangename) verrassing.

Toen ik de poëzie ontdekte – De Oostakkerse Gedichten van Claus & De Zwarte Jager van Deelder zijn de eerste bundels die ik me bewust herinner, verder was ik in die dagen dol op De Coninck, Morriën & Jotie – was T’Hooft een van mijn favorieten. Ik was stellig ook van plan jong te debuteren, maar had wel plannen om minstens 27 te worden. Dat tweede is me aardig gelukt. Dat debuteren blijft op de bucket list.

De interesse voor T’Hooft vervaagde met de jaren, doofde eigenlijk zelfs uit, maar kwam weer op waakvlamniveau toen ik vorig jaar of twee jaar geleden de mooie zwart-paarse uitgave van zijn Verzameld Werk kocht.

Dat ene zinnetje uit het juryverslag – dat ik onlangs nog es ter hand nam omdat ik na de zomervakantie, na een sabatjaar waarin de job voorrang kreeg, aan mijn afrondende manuscriptjaar op de SchrijversAcademie wil beginnen – heeft de nieuwsgierigheid naar deze dichter (ik meen me te herinneren dat ik ‘m als prozaschrjiver niet lustte) weer stevig aangewakkerd.

Omdat ik zjin Verzamelde Werk al in de kast heb staan, is het mijn voornemen om mij verzameldriftgewijze eerst op de secundaire literatuur te storten terwijl ik me door het VW (her)lees.

Bij antiquariaat Hopi Bukinan bestelde ik twee exemplaren van het (Vlaamse) literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd (dat ik eigenlijk al een jaar of 3 ken ondertussen, maar waarop ik pas vandaag – overtuigd door de twee exemplaren uit 2007 & 2011 die de postbode vandaag in de brievenbus stak – een abonnement nam) met daarin 2 artikelen over T’Hooft: eentje over een exemplaar van Junkieverdiet met daarin een uitgebreide opdracht van Jotie & echtgenote Ingrid aan de (Duits-Amerikaanse) zangeres Nico & eentje over Joties heteroniem Charles-Louis D’Haene.

In dat laatste artikel kwam ik mijn oud-docent (aan de lerarenopleiding in Turnhout) Nederlands tegen. Ik wist dat hij Jotie gekend had,  maar niet dat ze samen het tijdschrift Restant gerund hadden.

januyttendaele

Op deze foto van de redactie van Restant bij het artikel – uit de collectie van het Letterenhuis – die van circa 1975 is, staan van links naar rechts: Jotie T’Hooft, Luk de Vos, Hedwig Speliers, Jan Uyttendaele (de oud-docent) & Jean-Marie Maes. De oud-docent was in die dagen ook (hoofd)redacteur van het tijdschrift Hagelslag.

koimaomai (werktitel)

dk01Uit het juryverslag van het manuscript waar ik de voorbije twee jaar aan schreef op de SchrijversAcademie: “de thema’s van identiteit en dood komen telkens terug“.

En ook: “heldere poëzie die de doodsthematiek niet schuwt, zelfs hier en daar omarmt“.

Dat, zo moest ik zelf vaststellen, klopt als een zwerende vinger; hoewel de thematiek er eerder toevallig of in ieder geval onbewust ingeslopen is.

Opmerkelijke bijkomende vaststelling: binnen de thematiek is er – alweer behoorlijk onbewust – in het manuscript, maar ook in gedichten die er niet in opgenomen werden, focus op het ontslapen kind.

In die mate zelfs dat er voldoende reden is om er een nieuwe bibliofiele uitgave rond op te bouwen. Ik denk ‘losbladig cahier’, ‘rood & zwart’ of ‘blauw & zwart’, ‘linogravures’, ‘garamond’, ‘(opnieuw) de pers van Marc Gerené’ & ‘(opnieuw) slechts 20 exemplaren’.

Werktitel: koimaomai – Grieks voor (in)slapen / sterven.

Op de hoogte blijven? Alvast bestellen? Gillen richting info@akimwillems.be !