Wolwevershaven

Er bevindt zich in de BS&E een bibliofiel poëzie-uitgaafje waar ik al langer wat over wilde schrijven, maar dat kwam er voorlopig nog niet van.
Er was altijd wel iets anders of beters te doen; het manuscript voor mijn gedichtenbundel herwerken en herschrijven, bijvoorbeeld.
Die klus rondde ik, bijna vier jaar nadat ik er aan begon & ruim 9 maanden nadat ik besloot dat het manuscript, dat ik in juli 2016 opzij legde als ‘voorlopig klaar’, maar es opnieuw aangepakt moest worden met wat extra ondersteuning van een schrijfcoach, op 31 juni af.
Ondertussen werd de bundel naar een aantal uitgeverijen uitgestuurd in de hoop dat iemand er brood in ziet en het wil uitgeven; het plan is om op mijn vijfenveertigste eindelijk es ‘officieel’ te debuteren als dichter.
Vijfenveertig mag (tegenwoordig) rijkelijk laat heten om te debuteren.
Maar toevallig ontdekte ik dat de schrijver van het uitgaafje waar ik al langer wat over wilde schrijven pas op zijn drieënvijftigste debuteerde als dichter – hij publiceerde al eerder een novelle en was ook vertaler van o.a. John Donne en W.B. Yeats.
Die vaststelling leek mij een mooie aanleiding om er eindelijk toch es werk van te maken.WWH01
De auteur in kwestie is Jan Eijkelboom – geboren in 1926, overleden in 2008. Hij was journalist van beroep, een notoir drinker (iets wat, toch in die dagen, bijna inherent aan ’t beroep was) en, volgens sommige bronnen, de eerste stadsdichter van Nederland (nl. sinds 2001 in Dordrecht). Andere bronnen noemen Emma Crebolder als eerste stadsdichter van Nederland (1993 in Venlo). De Nederlandse Poëzie-Encyclopedie stelt dan weer, in het stukje “Stadsdichters: wisselingen, drama en geschiedvervalsing” (verschenen op 30 januari 2015), dat geen van beide dichters of steden die eer kan claimen.
De argumentatie van de NPE: “Het stadsdichtersschap van Emma Crebolder te Venlo was iets dat onopgemerkt aan Nederland voorbij ging. Ze was in 1993 een jaar stadsdichter, vanwege het zoveeljarig bestaan van de Maasstad. Het was een eenmalig iets, niets structureels. Ook de benoeming van Jan Eijkelboom in 2001 betekende niet de structurele instelling van het stadsdichterschap te Dordrecht. Hij werd voor het leven benoemd. Het was in zijn geval een erefunctie, zonder verplichtingen.”
Wie volgens de NPE dan wél met de pluimen mag gaan lopen? De stad Groningen, want “…de toon werd in 2002 gezet door Groningen. Met de instelling van het stadsdichterschap aldaar, met een transparante benoemingsprocedure en een heldere taakomschrijving zette de stad het stadsdichterschap op de kaart – het Groninger model werd dan ook, met toe- en instemming der Groningers, gekopieerd naar Gent, Antwerpen, Tilburg, Rotterdam, Nijmegen, Utrecht en etcetera”.
Wie dus volgens de NPE wél de enige echte eerste stadsdichter van Nederland mag heten? De eerste stadsdichter van Groningen: Bart F.M. Droog.
U weet wel…diezelfde Bart F.M. Droog die de NPE beheert & bij elkaar schrijft.
Moet er nog zand zijn?
WWH02
De uitgave in kwestie is “Wolwevershaven” dat in 1981 als eerste deel verscheen in “Dijl’s Bibliofiele Bibliotheek”. Frank van Dijl is al jarenlang journalist – net als Eijkelboom, die hij in een blogpost van 20 februari 2008 op Het Vrije Volk “zijn oude leermeester” noemt – maar ook de oprichter van het journalistiek-culinaire platform De Buik (van Rotterdam) en dus ook uitgever van de bibliofiele reeks “Dijl’s Bibliofiele Bibliotheek”.
In die reeks verschenen ook nog – ik geloof dat er slechts 6 deeltjes verschenen zijn; ik noteer ze even voor mezelf zodat ik binnenkort op zoek kan naar de resterende delen – “De theatrale krant” (1984, Hans Keller & Tom Eijzenbach), “Philosophische psychologie van de kunst” (1982, Leo Vroman), “Gaarne m’n beest” (1982, Bert Popelier), “De meewarige kruipers” (1982, Cees Buddingh) en “Geyerstein’s dynamiek” (1983, W.F. Hermans).
“Wolwevershaven” verscheen twee jaar na zijn debuut. De titel verwijst naar de straat in Dordrecht waar hij op verschillende momenten in zijn leven – maar pas nadat hij de gedichten schreef – op verschillende huisnummers – nr. 5 was het huis van zijn broer waar hij tijdelijk woonde, nr. 22 was het huis van Rein Dool een bevriend kunstenaar waar hij later tijdelijk verbleef – heeft gewoond.
Sonnetten 1 – 4 en 7 uit deze uitgave werden in 1980 reeds gepubliceerd in Maatstaf, sonnetten 5 & 6 verschenen in 1981 in Tirade. Eijkelboom zou pas in 1982 of 1983 in het huis van zijn broer intrekken; die broer verbleef voor langere periode in het buitenland. In 1986 – nadat (alweer es) een relatie was spaakgelopen – trok hij in bij zijn vriend op nr. 22. Eijkelboom kwam uiteraard al voor 1982/1983 vaak bij Dool over de vloer en vond zonder twijfel daar zijn inspiratie voor de zeven sonnetten.
WWH03Bij ieder ‘gewoon’ exemplaar van de – overigens losbladige – uitgave, zit ook een litho naar een schets van de Dordrechtse graficus Henri van Nes.
De ‘gewone’ oplage verscheen op 120 genummerde en gesigneerde .exemplaren, genummerd 10 t.e.m. 129. Mijn exemplaar is n° 126.
Daarnaast verschenen 9 luxe-exemplaren met een handgeschreven sonnet en een originele schets van Henri van Nes.
WHH04
De sonnetten die oorspronkelijk in Maatstaf verschenen, kan je hier lezen.
De sonnetten die oorspronkelijk in Tirade verschenen, kan je hier lezen (“Ansicht” is niet opgenomen in “Wolwevershaven”)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s