Ne Praeter Modum. Amsterdamse Studentenzangen (2e druk)

Twee jaar geleden ging, na 5 jaar traag, maar gestaag ontcijferen & researchen, het manuscript van ‘Ne Praeter Modum. Amsterdamse Studentenzangen’ – een uitgave van 36 Nederlandstalige, Amsterdamse studentenliederen (uit 2 verschillende manuscripten uit de Bibliotheca Studentica & Erotica); waarvan er slechts 3 ooit eerder in druk verschenen – naar de drukker. Een hele dikke maand later werden de bestelde exemplaren richting voorintekenaars – er werden evenveel exemplaren gedrukt als er besteld werden – verzonden.

Aangezien er ondertussen links & rechts en ook vanuit Amsterdam aangegeven wordt dat er nog steeds interesse is om een exemplaar op de kop te tikken, werd besloten om een tweede druk te laten maken.

De eerste druk was een softcover-uitgave van 16 x 24 centimeter op basic papier.

Deze tweede druk wordt iets steviger & beter uitgevoerd:
++ FORMAAT: 148 x 211 mm
++ COVER: hard cover (Mac Tac, glanzend, gelamineerd)
++ AANTAL PAGINA’S: 88
++ PAPIER BINNENWERK: Greentop Naturel, 120 g/m², lichtcreme
++ en dat alles voor een prikje: 15 EUR (excl. verzendingkosten)

BESTELLEN KAN VIA E-MAIL: INFO@AKIMWILLEMS.BE

Hieronder licht ik alvast een tipje van de sluier met de inleiding van de eerste druk en meer informatie over de 2 manuscripten, de datering van de liederen en de vermoedelijke auteurs.

INLEIDING

1 juni 2006: bij “Antiquariaat A.G. van der Steur” in Haarlem stuit ik op een notitieboekje met handgeschreven studentenliederen dat omschreven wordt als:

“AMSTERDAM, STUDENTENZANGEN.

Bundeltje met 24 studentenliederen, 12°, 35 p., manuscript, 19e-eeuws. Ex Libris op het schutblad: H.W. Kalff. De liederen zijn ondertekend: Beekman, v. Namen, Anspach, J.v. Lennep, H.C. van Hall, […], Teding van Berkhout.”

De vraagprijs is hoog – nooit eerder telde ik zoveel euro’s neer voor één boek; later zouden nog duurdere stukken aan de collectie toegevoegd worden – maar toch waag ik de gok & bestel het nog diezelfde dag. Over unieke stukken mag je niet twijfelen. De Bibliotheca Studentica – erotica waren toen nog niet aan de orde – bevat op dat ogenblik al een aardige collectie gedrukte studentenliedboeken, maar een handschrift met studentenliederen ben ik nooit eerder – en ook nadien niet meer – tegengekomen. Bovendien ben ik benieuwd of “J.v. Lennep” in het namenlijstje de bekende Nederlandse schrijver, taalkundige en politicus is.

8 juni 2006: de nieuwe aanwinst wordt geleverd en voor het eerst bestudeerd.

Het manuscript telt inderdaad 24 studentenliederen verspreid over 35 pagina’s; neergeschreven in verschillende handschriften.

Na wat zoeken en grasduinen op het internet en in verschillende catalogi van bibliotheken en archieven blijkt het manuscript afkomstig uit de kringen van de Amsterdamse groensenaat “Ne Praeter Modum”.

Bovendien is het – zoals ik vermoedde en hoopte – een behoorlijk uniek manuscript. Voor zover ik ondertussen – bijna 5 jaar later – heb kunnen uitpluizen, is er slechts één ander, soortgelijk manuscript bekend. Dat andere manuscript bevindt zich in de “Collectie Amsterdams Studenten Corps / Amsterdamse Vrouwelijke Studentenvereniging” van de Universiteit van Amsterdam; sinds 1992 ondergebracht in het Amsterdamse gemeentearchief.

Najaar 2006: dankzij het Amsterdamse gemeentelijke archief krijg ik ook (een gescande kopie van) dàt manuscript in mijn bezit. Het bevat 44 studentenliederen verspreid over 55 pagina’s; neergeschreven in één handschrift.

Het plan om al deze handgeschreven liederen te ontcijferen, hun auteurs op te sporen, meer informatie over de melodieverwijzingen in te winnen en beide manuscripten in gedrukte vorm uit te geven ontstaat niet lang daarna.

Ondertussen – na bijna 6 jaar, traag maar gestaag, ontcijferen en onderzoeken – is alvast een eerste deel van dat plan afgerond. Ik stel het met plezier voor in de rest van deze uitgave.

Akim A.J. Willems

Antwerpen, Bibliotheca Studentica & Erotica

18 april 2011

DE MANUSCRIPTEN

Zowel in het manuscript uit het gemeentearchief van Amsterdam (vanaf nu ‘manuscript A’ genoemd), als in het handschrift dat ik zelf bezit (vanaf nu ‘manuscript B’ genoemd) komen liederen in het Nederlands, Latijn, Grieks en – hier en daar enkele verzen – Jiddisch voor.

Omdat het ontcijferen van de hanenpoten in de manuscripten zonder grafologische opleiding geen sinecure is en omdat mijn kennis van het Latijn, Grieks en Jiddisch quasi nihil is, beperk ik me in deze uitgave tot de Nederlandse teksten uit beide handschriften.

In totaal staan in de twee manuscripten 36 Nederlandstalige studentenliederen van 11 verschillende auteurs.

Exact de helft van die teksten komt voor in beide handschriften.

Van 2 liederen is geen auteur bekend.

Bij 2 liederen is geen melodieverwijzing vermeld. Dit zou kunnen betekenen dat ze op een originele melodie gezongen worden.

Enkel in manuscript A zijn enkele liederen gedateerd.

Voor zover ik heb kunnen onderzoeken, zijn slechts 3 van de Nederlandse teksten uit de manuscripten eerder in druk verschenen.

Het lied “Olla potrida” komt in 1861 voor in het anoniem uitgegeven liedboekje “Studenten Feest-Galmen” (waarvan in augustus 2007 al een heruitgave verscheen bij de Bibliotheca Studentica) en wordt, vanaf de eerste druk uit 1862, opgenomen in de verschillende uitgaven van het Utrechtse “Vademecum voor den student”.

Vanaf de vierde druk (1875) komt ook het lied “Studentenlied (Braaf student, student te zijn)” voor in het “Vademecum voor den student”.

“De wijn” komt voor ’t eerst in druk voor in “Vriendenzangen tot Gezellige Vreugd” dat in 1801 door A. Loosjes wordt uitgegeven in Haarlem. Daarna duikt het ook nog op in “Studenten-Zangen” (Leiden, 1822) en “Verzameling van Gezelschaps-liederen, aan Ernst en Vrolijkheid gewijd” (Amsterdam, 1835). De publicatie van dit lied in een liedboek uit 1801 zorgt voor een probleem met betrekking tot het (vermeende) auteurschap; daarover meer hieronder.

NE PRAETER MODUM

“Ne Praeter Modum” (vertaald: Nooit over de schreef) wordt in 1818 opgericht.

Het is een groensenaat aan het Athenaeum Illustre van Amsterdam – ook gekend als de Illustre School – dat de voorloper van de Amsterdamse universiteit is.

Op 15 mei 1851 besluiten verscheidene Amsterdamse groensenaten, waaronder “Ne Praeter Modum”, tot samenwerking. Zij ontbinden zichzelf en vormen de “Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium” (vertaald: de zeer illustere senaat van studenten uit Amsterdam) als bestuur van een nieuwe studentenvereniging: het “Amsterdamsch Studentencorps”.

Vandaag bestaat “Ne Praeter Modum” nog steeds binnen het “Amsterdamsch Studentencorps”; als “Senaatscommissie voor het Novitiaat” die belast is met de organisatie van de kennismakingstijd voor aspirant-leden.

Eveneens houdt deze commissie toezicht in deze periode.

Deze kennismakingstijd vindt vlak voor de start van het academische jaar plaats.

“Ne Praeter Modum” leert de nieuwe studenten de mores en tradities van de oudste vereniging van Amsterdam.

AUTEURS & DATERING

Uitpluizen wie de 11 auteurs – van sommigen komt de naam in verschillende varianten of spelwijzen voor – zijn, blijkt aanvankelijk moeilijk.

Maar soms steekt het geluk een handje toe: ik kom in het bezit van het “Album Academicum van het Athenaeum Illustre en van de Universiteit van Amsterdam bevattende de namen der hoogleeraren en leeraren van 1632 tot 1882 en der studenten van 1799 tot 1882” (1e druk; Amsterdamsch Studenten-Corps; Amsterdam; 1882; 171 p.) waarin ik de namen kan opsporen.

Sommige (familie)namen komen meermaals voor, maar aan de hand van de dateringen in het “Album Academicum”, de datering bij sommige liederen en het feit dat de liederen uit de kringen van Ne Praeter Modum komen, kan ik voor de meeste liederen toch (met enige zekerheid) uitpluizen welke studenten de teksten schreven.

Het lied “Het laatste pijpje” is in beide manuscripten ondertekend met Anspach en in manuscript A gedateerd met: 10 Nov. 1825.

Jan Adolph Anspach komt in 1821 als 17-jarige theologie studeren in Amsterdam en promoveert er in 1825. Het lijkt erop dat hij dit lied schrijft als zijn ‘zwanenzang’, als zijn afscheid van het studentenleven, want het lied begint met de woorden: “Broeders! weldra slaat het uurtje, dat ons van elkand’ren scheidt”.

In beide manuscripten is het lied “Vreugde en vriendschap” ondertekend met Beekman.

Deze naam komt slechts eenmalig voor in het “Album Academicum”; tussen 1808 en 1812 studeerde een zekere G. Beekman theologie in Amsterdam. Dat is voor de oprichting van Ne Praeter Modum en ook met de datering van de andere liederen in manuscript A – het lied van Beekman zelf is niet gedateerd – klopt dit niet. Is er een andere Beekman in het spel die niet officieel als student is ingeschreven of die in het “Album Academicum” schromelijk over het hoofd gezien wordt? Of is het lied wel degelijk van oudere oorsprong en van de hand van G. Beekman, maar werd het later (opnieuw) opgepikt in de kringen van Ne Praeter Modum en opgetekend in hun liederboekjes?

De naam Brouwer wordt in manuscript A gelinkt aan de liederen “Studententafellied” en “Olla Potrida oder Potpourri!”; beide zijn ongedateerd.

De naam Brouwer komt meermaals voor in het “Album Academicum”, maar voor het auteurschap van het lied komen slechts twee studenten in aanmerking.

Een mogelijke auteur is de theologiestudent W.J. Brouwer die slechts een jaar (in 1820) in Amsterdam studeerde.

Een andere mogelijkheid is dat het lied gedicht werd door J.H. Brouwer die tussen 1806 en 1819 officieel als theologiestudent ingeschreven was, maar pas in 1821 uit Amsterdam vertrok.

De naam C.F. de Burlett komt alleen voor in manuscript A; namelijk bij het lied “Studentenband” dat in beide manuscripten opgenomen is en dat gedateerd is op 21 Dec. 1825.

Deze student kwam als 18-jarige in 1822 aan in Amsterdam waar hij tot 1827 rechten studeerde. Hij promoveerde op 20 maart 1829 te Leiden[1].

A.M.C. van Hall schreef het “Studenten-lied” dat in beide manuscripten voorkomt en dat in manuscript A gedateerd wordt op 30 Dec. 1829.

Van Hall begint zijn studentenloopbaan in 1824 op 16-jarige leeftijd als stud. Litt. et Jur.. Tot in 1829 studeert hij in Amsterdam. Op 18 januari 1830 promoveert hij te Leiden.

De liederen “Den nieuwen Rector”, “Den Rector” en “Studentenlied” zijn alle drie ongedateerd en ondertekend met de naam J. van Lennep.

De eerste twee komen enkel in manuscript A voor, het laatste in beide manuscripten. De student Jacob van Lennep, die tussen 1819 en 1822, rechten studeert in Amsterdam, zou later – inderdaad – naam maken als schrijver, taalkundige en politicus.

Pieter Lijndrajer Janszn. – rechtenstudent in Amsterdam tussen 1818 en 1822 – tekent voor volgende liederen: “De bloei van den Illustren Senaat”, “De Promotie”, “Ne Praeter Modum” en “Studentenkoorzang”.

J.S. van Naamen Azn. heeft bij veertien Nederlandstalige studentenliederen uit beide manuscripten zijn naam staan: “De wijn”, “Ergo bibamus”, “Onze goede bijeenkomst”, “Onze goede nachtrust”, “Onze kring”, “Studentenlied”, “Wijnlied” en 8 “Toasten”.

Ze zijn op verschillende manieren ondertekend: van Naamen Jan, v.N., JvN of

v. Naamen.

J.S. van Naamen Azn. is rechtenstudenten in Amsterdam tussen 1814 en 1822; vanaf 1823 studeert hij in Utrecht.

Er kan met zekerheid gesteld worden dat het lied “De wijn” niet aan van Naamen Azn. toegeschreven mag worden, aangezien de tekst (zoals die in het handschrift voorkomt) al in druk verscheen in 1801 (zie hierboven).

“Studenten Broederschap” werd geschreven door J. Stroeve, theologiestudent in Amsterdam tussen 1819 en 1822. Vanaf 1823 studeery hij verder in Leiden.

“De avunculi” is van de hand van Pieter Jacob Teding van Berkhout. Pieter Jacob begint in 1827, op 17-jarige leeftijd, aan zijn rechtenstudie in Amsterdam waar hij tot 1833 verblijft. Hij promoveert op 25 januari 1834 en wordt op latere leeftijd burgemeester van Overijsel.

Een laatste auteur – die van het lied “Bacchus en Amor” – die in deze uitgave voorkomt, is E. Waller H. Izn. Hij start zijn studieloopbaan in 1822 – hij was toen 16 jaar oud – en verlaat Amsterdam in 1827. Hij studeert er literatuur en rechten. Hij promoveert te Leiden op 20 maart 1829.

++++

[1] Het Athenaeum Illustre kreeg pas in 1877 promotierecht toen het omgevormd werd tot de gemeentelijke universiteit.

Advertenties

Een gedachte over “Ne Praeter Modum. Amsterdamse Studentenzangen (2e druk)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s