Studenten Zangen (1822)

De tijd van de jaarlijkse ‘kerstverlanglijstjes’ is weer aangebroken.
Het mijne bestond, naar goede gewoonte, weer uit een waslijst ‘studentica’ die verspreid over de wereld op mij liggen te wachten bij allerhande antiquaraten.

Eén titel genoot dit jaar een absolute voorkeur:

STEENHAUER (C.); Studenten Zangen; 1e druk; Leyden; L. Herding & Zoon en de Wed. M. Cijfveer; 1822; 194 p.

En laten mijn ouders – de lieve schatten – nét bevestigd hebben dat dit vrij unieke werkje inderdaad onder de kerstboom zal liggen over (bijna) een maand.

Dat zijn nieuwtjes waar zélfs een kersthater als mijzelf spontaan ‘Jingle bells’ gaat neuriën.

—–

In het jaarboek Vaderlandsche Letteroefeningen (G.S. Leeneman van der Kroe & J.W. IJntema; Amsterdam; 1822; p. 377-379) komt volgende bespreking van de Studenten Zangen voor:

Ontvang hier uit mijn hand een geestig Liedrenboek;
’t Is eendragt dat ik wil, en eendragt die ik zoek.

Zoo spreekt Minerva al aanstonds de Leydsche Studenten aan voor dit werkje; en Minerva doet zeer wel, eendragt zoo voor te staan, en haren kweekelingen deze, als eene voorwaarde – wat zeg ik, als den waren grond van vreugde en vrolijkheid voor te houden. Het is toch uitgemaakt, dat niets de genoegens van Mensch, Burger en Student meer bederft, dan lust tot onrust, oneenigheid, partijschap, en geneigdheid om tijd en vlijt veil te hebben tot het opkrabben van oude veeten en krakeelen, geliefd bij onze Vaderen, maar bij ons gehaat. Die vodden moeten wij, wil Minerva, zoo wij meenen, zeggen, aan hen en onze oude lieden overlaten, en vooral aan zulken, die ongelukkig genoeg zijn van, als slagtoffers, de aanspraak op onpartijdig oordeel te missen. Het moge, bij sommigen, lof van standvastigheid verdienen, dat een Man, die in 1785 bij de uitgave der Geuzen, en in 1793 in zijn gedicht de Alleenheersching, bijzondere gevoelens voorstond, en die dezelfde vreemde stellingen van zijne eerste jeugd tot heden ten dage met woord en daad handhaafde, ja met ballingschap en ongeluk verzegelde, dezelve nog, in spijt van terughouding der hem althans toekomende vereeringen, ridderlijk voorstaat; maar hij moest ze voor zich houden, uit overtuiging, dat het eenmaal tijd is, liever oude politicke geschillen over schier verstorvene zaken en personen te laten sterven, dan met geweld die verder voort te planten in jeugdige gemoederen, van nature geneigd, zoo ze wèl gestemd zijn, tot menschlievendheid, liberaliteit en vrijheid. Één geluk is er: dergelijke systemata, als wij bedoelen van den ouden Man, moeten, bij eenige consequentie, den jeugdigen mensch tot alle onderdanigheid, gehoorzaamheid, gebogenheid, ingetogenheid en onderwerping leiden. Of nu de ondervinding leert, dat dit het geval is, weten wij niet zeker. Zekerder is het, dat eene gepaste vreugde en vrolijkheid bij goede studie niet kwalijk voegen in dien onvergetelijken leeftijd, waarin men elkander en het menschdom zoo regt broederlijk omvat, wanneer in de ruime borst het gevoelig hart, voor niets behoevende te zorgen, ongestoord klopt voor Vaderland, Letteren, Vrienden, Vrede en Eendragt. Daarom geeft Minerva hun ook nu dit boekje. Zij zegt:

Als gij u zaam begeeft naar echte vriendenkringen,
Neem(t) dan dit boek ter hand; het is een rech(g)te schat;
Het is een deftig werk.

Dit laatste zijn wij nu wel niet met haar eens; en al ware het zoo, gelijk voor deze Gezangen met getuigenissen gestaafd moet worden, dat van de wijsheid van seneca, cato, socrates, plato, erasmus enz. (deftige Wijsgeeren) te regt gezegd is: soepe mero caluisse, (niet calluisse, gelijk hier te boek staat) zoo volgt toch daaruit niet, dat een gedurige zang ter eere van het Vaderland, den Wijn en de lieve Meisjes juist een deftig werk moet heeten. Dan, dit zij zoo het is, het is een aardig en geestig werkje, ja zelfs eene niet ongeleerde verzameling, en bevat, zoo ver wij gezien hebben, niets bijzonder aanstootelijks voor de zedelijkheid. Dat het geleerd is, bewijst het Iö vivat in het Grieksch, in het Hebreeuwsch en in het Arabisch, om van andere talen niet te spreken. Het geliefde Iö vivat en andere vermaarde Studentenliederen zijn er dikwerf in gevarieerd. Hier en daar is vrij wat met smaak uit beroemde Dichters overgenomen, gelijk b.v. uit poot het vrolijk Leven: Waar is mijn citer toe bereid, enz. De verzen aan het Vaderland zijn gestemd op den goeden en zuiveren toon. Het Wilhelmus van Nassouwen en de Volksliederen zijn niet vergeten; en bijzonder genoegen gaf ons, om redenen, ons Recensent bekend, hier te vinden een hartelijk Loflied ter eere van den Admiraal de ruiter; een Held, zoo braaf, dapper en edel, dat de nijdigste kijker, al ware die grooter dan alle voorheen bekende, het geringste vlekje niet kan aanwijzen. Het streelde ons ook, hier te vinden het bij onze Ouders zoo geliefde Tafellied: Hoe zoet is ‘t, daar de Vriendschap woont, enz.

Om eene proef uit deze verzameling bij te brengen, kiezen wij den Vaderlandschen Zang:

Vrienden! neemt voor ’t Vaderland
Nu den beker in de hand;
Doet een’ lofzang hooren!
Hij, die ’t Vaderland niet eert,
Boven alles niet waardeert,
Is geen vrijgeboren!

O! dat lieve Vaderland
Zij ons dierbaarst onderpand:
’t Schenkt ons reine weelde;
Weelde, die de ziel bekoort,
Weelde, als eens, in Edens oord,
Adams boezem streelde.

Wijden we ons, in onze jeugd,
Aan der Vadren trouw en deugd,
Aan hun vlekloos leven!
Hij, die pligt en deugden acht,
Draagt het beeld van ’t Voorgeslacht,
Strekt tot roem der Neven.

Hij, wiens deugd zich nooit verzet,
Die der vleijers kop verplet,
Die den troon omgeven;
Hij, die deugd en waarheid eert,
En verdiensten steeds waardeert,
Hij zal eeuwig leven.

Maar, die door eergierigheid,
Of door baatzucht wordt geleid,
Slechts voor zich wil leven;
Die den armen hulp ontzegt,
En ’t vernuft aan banden legt,
Oogst den vloek der Neven.

Vrede zij ons Vaderland!
En Oranje zij de band,
Die dit Volk vereenigt;
Die ons steeds bezielt met moed,
En door warmen liefdegloed
Onze smarten lenigt!

Nooit moet de adem van den tijd
Hollands trouw en eerlijkheid,
Hollands roem vermindren;
Maar, door deugd alleen vermaard,
Laten wij dit pand, zoo waard,
Stervend onzen kindren.

Dat zulke gevoelens onzen Studenten, die door hunne vorderingen en ware soliditeit, blijkens de openbare proeven en overwinningen, zoo zeer die van alle vreemde Akademiën overtreffen, en die geenszins deelen in die dadelijke woeling en losbandigheid, die alle orde in de burgerlijke en zedelijke wereld elders aanranden, mogen bijblijven en vruchten dragen, ten nutte van hunne dierbaarste betrekkingen en ten beste van het lieve Vaderland, is, ten slotte, onze hartelijke wensch.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s