Een nyeu liedeken.

IN Augusto den tweesten dach
Datmen de stadt van Louen belegen sach
Al van die fransche knechten
Daer Merten van Rossum sonder verdrach
Die lueuenaers woude beuechten

Die fransoysen quamen seer stoutelic aen
Si meynden te Lueuen binnen ghaen
Ghelijck een scheper drijft sijn schapen
Sonder slach oft sonder slaen
Meynden de louensce vroukens te slapen

Op de veste was menigen stouten clerc
die vroukens waren neerstich int werck
Aen steenen aen reepen aen alle dinghen
Si spraken sijt alle cloec int werck
Wi sullen v ghenoch aen brenghen

De fransoysen schoten hen bussen af
die van louen en achten dat niet een caf
Die burghers hielden goe hoede
Al waert dat hen veel volcx beghaf
De schutters waren cloec van moede

Merten van Rossum den onuerlaet
Hi heeft ghesonden eenen abasaet
Al aen die burghers ghetrouwe
Hi eyste met woorden seer abstinaet
Tseuentichduysent cronen root van gouwe

Daer bouen eyste hi noch een voor al
Van clooten van bussen een groot ghetal
En poeyer met gheheelder ermijen
En dat hi ses weken sonder gheschal
Wt ende in sou moghen rijen

Die heeren hebben verstaen dit woort
Die borghers waren seer verstoort
Si en wouden dat niet consenteeren
Si spraken altsamen met een accoort
Wi willense declineren

Merten van Rossum hen capiteyn
Hi hiel voor de stadt van Louen ghemeyn
Dat heeft den borghers verdroten
Si riepen comt aen groot ende cleyn
En si hebben inden hoop gheschooten

Die fransoysen waren seer veruaert
doort schieten is hen den moet beswaert
achter rugghe sijn si ghetoghen
dus danct god de zijn dienaers heeft bewaert
Want het staet doch al in sijn vermoghen

Merten van Rossum was in grooter noot
Want daer bleeffer meer dan iiij.c. doot
dies was hi ghestoort van sinne
Mer in een groote schure verstaget bloot
daer dede hise varen inne

Die fransoysen waren seer veruaert
Si hebbent al tsamen verbaert
die dooden metter schueren
die stadt van louen was hen ontuert
dat mochten si wel betrueren

Als god zijn dienaers helpen wilt
Teghen hem en helpet tswaert noch schilt
dan alleen in die hant des heeren
dus laet ons tot god keeren als ridder milt
Hi sal hem tonswaert keeren

Die dit liedeken heeft ghedicht
Sijn hert dat was daer toe verlicht
Om elcken te vermonden
Want ghelijc een leeu de cloeckelijck vicht
Sijn die van lueuen beuonden

[Uit: Een schoon Liedekens. Boeck inden welcken ghy in vinden sult. Veelderhande liedekens. Oude ende nyeuwe Om droefheyt ende melancholie te verdrijuen. Item hier sijn noch toe ghedaen Meer dan Veertichderhande nyeuwe/ liedekens die in gheen ander liedekens boecken en staen. Hier achter aen vervolghende]

[Context: De Fransen willen onder leiding van Maarten van Rossum Leuven innemen (Beleg van Leuven – 2 augusuts 1542). Klerken [studenten] en zelfs vrouwen verweren zich echter. De burgers verdedigen hun stad zo sterk dat Van Rossum en de zijnen zich terugtrekken.]

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s