Een visioen

We blijven ontdekkingen doen vandaag…

In het studentenliedboek van de V.U.B. komt het lied “Dronkemanspraatje” voor:

‘k Bracht in dees herberg een avondje door;
straat, maar wat komt ge mij wonderlijk voor.
Rechter en linker geruild met elkaar ?
Straat, ge zijt dronken, zeg op is ’t niet waar ?
Trala, trala, tralalalala lala, trala, trala, tralalalala.

Kijk eens wat scheef een gezicht trekt die maan;
één oog gesloten en één loert mij aan.
Ja, ze is fatsoenlijk geweest aan de fles,
schaam u, foei, schaam u, gij olijke bes.

En die lantarens, nee ‘k zie toch niet scheel ?
Drommels ze hebben wat olie teveel.
Draaiend en zwaaiend naar alle kant heen,
jongens sta vast of gij raakt van de been.

Alles aan ’t hotsen wat ‘k zie, klein en groot.
Ik nu daar onder, ik, nuchter als brood.
Dat nee, dat waag ik niet, ‘k heb mij te lief;
gauw weer naar binnen, da’s beter wablief ?

Het werd (voor het eerst?) gepubliceerd in het Liederboek der Belgische Studenten dat Lovania in 1901 uitgaf en is van de hand van Bernardus Van Meurs.
De melodie waarop het – volgens de Nederlandse Liederenbank – geschreven werd is die van “La Madrilena”.
Bovenstaand studentenlied, dat ook wel de titel “Dronkemans-deun” draagt, is een Vlaamse bewerking van het Duitse “Grad’ aus dem Wirtshaus” (ook wel “Bedenklichkeiten”) dat Heinrich von Müller in 1842 schreef.
In de FAK Volksangbundel vir Suid-Afrika (1940) komt ook een Afrikaanse bewerking van Eitemal voor.

Waar wil ik heen met bovenstaande uiteenzetting? Naar het studentenlied “Een visioen” van de hand van de Leuvense student Jan Hekel (een pseudoniem?) waar F. Mertens een melodie op componeerde voor Heyndrickx’ Studentenliederboek én dat duidelijk ook geïnspireerd is op von Müllers Duitse origineel. Of het ook ouder is dan van Meurs’ tekst (aangezien Heyndrickx’ werk al in 1899 gepubliceerd werd) is niet zeker, maar lijkt aannemelijk.

Daar kom ik d’herberg uitgetreden,
hoe aardig schijnt mij toch de straat!
Verdraait, verplaatst zijn al mijn leden:
Mijn rechterhand mij links nu staat.

Maar maantje toch trek zul geen muilen!
Ja…gij zijt zat…ik zie het wel.
Gij zit ginds als een uil te pruilen
daar ge eertijds lieflijk waart en snel…

Maar ziet toch die lanterens stappen
al knikkebeenen langs de baan
gelijk een’ bende zattelappen;
noch mensen noch duivel kan ’t verstaan.

Ten strijde komen zij mij dagen…
Maar tegen zulk een dronkaardshêer
moet nuchter ik alleen mij wagen?…
Dan keer ik liefst in d’herberg wêer!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s