Rodenbach en Limburg

Het geplande etentje, gisteren, met M. en Inge in Gent werd op het laatste ogenblik afgeblazen. Inge ging met haar vriend – die geen vrije dag had – lunchen en zou pas later in de namiddag toekomen. M.’s echtgenoot vergezelde/bewaakte [doorhalen wat niet van toepassing is] haar op zijn vrije dag zodat ook zij niet aan lunchen met ondergetekende toekwam.
Van de nood een deugd makend, ben ik dan maar De Sleghte binnengewandeld om wat boekjes te scoren die ik zou lezen op een van de zonnige terrasjes in mijn favoriete Belgische stad.

In de “Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gestichter onder de benaming Société d’Emulation te Brugge; driemaandelijks tijdschrift voor de studie van de geschiedenis en oudheden van Vlaanderen; CXXII – 1985; deel 1-2” vond ik een boeiend artikel (pagina’s 27 – 63) onder de titel “Brugse studenten aan de universiteit. Studiekosten en studiefinanciering in de tweede helft van de zestiende eeuw” van P. Vandermeersch.
De auteur gaat na wat een jaartje studeren tussen 1550 en 1578 kostte voor een Brugse universiteitsstudenten en gaat ook dieper in op de talloze “bursalen” (beurzen) die hiervoor (in Brugge) ter beschikking gesteld werden door rijke particulieren, scholen en het stadsbestuur.

Nadat dat artikel vrij snel doorgenomen was, deden de “Handelingen” vooral dienst als schaduwwerpende bescherming voor mijn drankje op het terras zonder parasols en richtte ik mijn aandacht op een tweede aankoopje : “Rodenbach en Limburg. Vier tot dusver onbekende brieven uit 1878, honderd jaar later teruggevonden en van enige commentaar voorzien; gevolgd door een overzicht van wat er in Limburg roerde tot aan de eerste wereldoorlog” van Donaat Snijders en Staf Vermeire dat in 1980, naar aanleiding van de honderdste overlijdensverjaardag van Albrecht Rodenbach werd uitgegegeven.

Dit boekje vertelt een opmerkelijk verhaal :

Op 5 juli 1976 overlijdt in Maaseik de nestor van de Kruisheren aldaar : Jan Engelen o.s.c. Na Engelens overlijden wordt C. Brasseur o.s.c. belast met het “opruimen” van de niet zo talrijke “nagelaten papieren” van Engelen. Het is diezelfde Brasseur die Donaat Snijders op een avond een envelopje overhandigt met de laconieke opmerking : “Moet ge eens bekijken! Uit de nalatenschap van Jan Engelen…”
De enveloppe die Snijders in zijn handen gestopt krijgt vermeldt : “Brieven van Albrecht Rodenbach”. Binnenin zit nog een originele afzenders-enveloppe, met bovenaan, bijgeschreven : “Alb. Rodenbach stierf in den nacht van 23 tot 24 juni 1880. Zijn schoone ziel rust in vrede.” En daaronder, in Rodenbachs handschrift, Rodenbachs bestemmeling : “Den Heere Nestor Bernard – Groot Seminarie – Luik”.
Engelen, de lievelings-student van deze Bernard, heeft de brieven wellicht geërfd toen hij na Bernards overlijden diens bibliotheek kreeg toegewezen.

Snijders – verbaasd over het feit dat deze brieven, gezien het grote belang van Rodenbach voor de (geschiedenis van de) Vlaamse studentenbeweging, pas 100 jaar na diens overlijden aan het licht komen – diept onmiddellijk een exemplaar van de “Encyclopedie van de Vlaamse Beweging” op uit zijn boekenkast om het handschrift van de brieven te vergelijken met een faximile van Rodenbachs handschrift in de “Encyclopedie” : geen twijfel mogelijk, het zijn authentieke brieven van Albrecht Rodenbach.

De vier brieven, alle uit 1878, zijn niet alleen zo bijzonder omdat ze bijna 100 jaar ongekend bleven ondanks veelvuldig onderzoek naar de rol van Rodenbach in de Vlaamse (studenten)beweging in de decennia na zijn dood. Ze zijn vooral interessant omdat ze, voor het eerst, een blik werpen op de verhouding tussen de (West-Vlaamse) voortrekker van de Vlaamse studentenbeweging en de studenten in Limburg aan de andere kant van ons kleine landje.

Een passage uit de vier brieven bleven na lezing in hoofd rondspoken.

In de tweede brief (geschreven te Leuven op 7 mei 1878) van Rodenbach aan zijn “Broeder in den Kampe” geeft Rodenbach als antwoord op de impliciete kritiek dat (ook) hij een Westvlaams taalparticularist zou zijn het volgende mee aan zijn correspondent :

Eenheid dus tussen de Dietsche tongvallen en gewestspraken. Ja zelfs, voor wat mij betrekt, zegge ik : Eenheid met Holland! En hiet is meer dan tijd die uiterst belachlijke theorie van 1830 naar de mane te zenden, dat Vlaamsch en Hollandsch twee talen zijn

Rodenbach als linguïstisch Groot-Nederlander. Die gedachte kon mij, af en toe dwepend met de Groot-Nederlandse gedachte, wel bekoren op koninginnedag.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s